English Summary

Geschiedenis Familie Beers

Inleiding

Een stamboom begint met een persoon en vervolgens worden alle kinderen en verdere afstammelingen genoemd. De figuur die dan ontstaat heeft de vorm van een kerstboom die aan de basis heel breed kan zijn. Om het overzicht te bewaren kan het daarbij van belang zijn een lijn aan te houden die over de generaties eindigt bij de persoon, waarmee een kwartierstaat begint. In dit geval de kinderen van mijn dochter Annemarie Beers en Bas de Boer. Deze lijn omvat 14 generaties met de naam Beers. De gegevens van de familie Beers zijn gedurende vele jaren bijeengebracht door mijn broer Jos Beers.

De lijn begint met Jacob Beers. Zijn achternaam was waarschijnlijk afgeleid van Baars en werd in die tijd veelal met ae geschreven en uitgesproken alsof de e een umlaut voorstelde. De schrijfwijze is afwisseld Beers, de Beers, Baers of Baars. De familie noch de naam Beers is uniek in de betekenis dat niet iedereen met zo’n achternaam familie is. Er blijken meerdere families met deze achternaam te bestaan die generlei bindingen hebben. Niet alleen in andere delen van het land, zoals bijvoorbeeld in Amsterdam en in de provicie Zeeland, maar zelfs in West-Friesland waar medio de 17e eeuw zowel rond Blokker als in Wervershoof een familie Beers bestaat die soms ook als Baars wordt vermeld en die (nog) niet gekoppeld kan worden aan de onderhavige familie. Dan is er ook nog een Jan Beers uit Wadway waarvan nazaten zijn te vinden in Venhuizen en omgeving. Ook zijn er nog afzonderlijke families Beers uit Kolhorn en uit Barsingerhorn die oorspronkelijk uit Friesland afkomstig lijken. Wel is er vaak een verwijzing naar de vissoort Baars. Van een tweetal families is een familiewapen bekend. Een van Symon Baers en te zien boven de ingang van het Pietershof in Hoorn; een ander van de familie Baers in Zeeland. In beide gevallen is er sprake van een vis op een blauwe achtergrond vergezeld van een of meer zeesterren. De familienaam Van Beers wijst op een geografische oorsprong en komt in het zuiden van het land voor.

Westfriesland is de naam van het gebied in Noord-Holland dat zich uitstrekt van Enkhuizen tot Alkmaar en van Hoorn tot Schagen. Het gebied wordt omsloten door de Westfriese Omringdijk. In de eeuwen rond het begin van onze jaartelling strekte het woongebied van de Friezen zich uit langs vrijwel de gehele Nederlandse kust. De Westfriezen behielden in die tijd waarschijnlijk hun zelfstandigheid. Hoewel zich eerder al grote meren hadden gevormd in het gebied van de latere Zuiderzee, met afwatering naar het noorden, kan er nog contact hebben bestaan met het tegenwoordige Friesland. Vermoedelijk is de brede monding van de Zuiderzee pas door stormvloeden in de 12de-13de eeuw ontstaan. (Zie de kaart van Noordwest Nederland in de vroege Middeleeuwen). Westfriesland was van oudsher een veengebied dat voor akkerbouw geschikt werd gemaakt. Daartoe werd het gebied bedijkt en ontwaterd. Wanneer men er niet in slaagde de waterstand te verlagen, werd het land ongeschikt voor de akkerbouw en kon het slechts als wei- of hooiland worden gebruikt. Westfriesland was opgedeeld in vier regio's of ambachten: (1) Drechterland. (2) Hoogwouderambacht later de Vier Noorder Koggen, (3) Geestmerambacht en (4) de Schager en Niedorperkoggen. De ambachten waren onderverdeeld in koggen. Het onderhoud van de afwatering was een zaak van de plaatselijke gemeenschap. De besturen van de ambachten hielden toezicht via keur en schouw. Voor meer informatie over dit onderwerp zie: Het ontstaan van West-Friesland alsmede een een overzicht van West-Friesland op oude kaarten.

Vanaf de elfde eeuw deden opeenvolgende Hollandse graven vergeefse pogingen de Westfriezen onder hun gezag te brengen; pas Graaf Floris V slaagde daarin in 1287 en hij liet vijf dwangburchten bouwen om dit te bevestigen. Westfriesland werd sedertdien een van de belangrijkste landbouwgebieden van het graafschap Holland. De belangrijkste plaatsen waren Medemblik, dat als eerste al in 1289 stadsrechten kreeg, gevolgd door Enkhuizen en Hoorn. Hoogwoud en omliggende plaatsen kregen stadsrechten in 1414. Door de geuzeninvasie van 1572 in Enkhuizen werd Westfriesland een van de eerste bolwerken van de opstand tegen het Spaanse gezag, bevestigd door de Victorie van Alkmaar in 1573. Door de Spaanse bezetting van Haarlem raakte het gebied echter enigszins geïsoleerd van overig Holland en ontwikkelde het een eigen bestuursapparaat, waarvan de invloed nog lang bleef nawerken.

Hoogwoud komt in 1289 voor als Hoechhoutswouder en in 1396 als Hogherswoude. Lang werd gedacht dat de plaatsnaam ter onderscheiding was van een toen nabij gelegen Nederwoude. Echter duidt de oudste naam daar niet op, maar zou veel eerder betekenen dat de plaats op een iets wat hoger gelegen woudgebied lag. Dit woud was moeraswoud en ondanks ontginning was er nog veel hout, bomen of bosgedeeltes aanwezig. Hoogwoud is geschiedkundig vooral bekend om de slag in 1256 waarbij Graaf Willem II van Holland in de strijd tegen de Westfriezen op 8 januari sneuvelde. Hij was met zijn paard door het ijs gezakt en werd door de verbitterde Westfriezen met knuppels doodgeslagen. Dit voorval heeft plaatsgehad aan de Pade, vroeger het Koningspad genaamd, naar deze gebeurtenis. Graaf Willem II was in 1248 op 19-jarige leeftijd tevens gekozen tot Rooms koning van het Duitse Rijk. Zijn dood zorgde tot in het buitenland voor grote beroering.

In Holland werd hij opgevolgd door zijn zoon Floris V, die dan pas anderhalf jaar oud was. Na verschillende veldtochten verslaat Floris V uiteindelijk de Westfriezen in 1289. Volgens oude kronieken vond hij “het lijk zijns vaders door aanwijzing van een oud man, dien hij daarvoor het behoud zijns levens schonk. De Graaf was zeer ontroerd en liet het lijk of liever het geraamte naar Middelburg vervoeren en aldaar begraven.” Graaf Floris V heeft veel gedaan voor de ontwikkeling van zijn gebied. Moerassen liet hij ontwateren door sloten te graven en dijken werden aangelegd. Hij gaf het land in gebruik aan de boeren. De economie bloeide. De boeren noemden hem Den Keerlen God. Hij breidde zijn gebied ook uit. Hij maakte belangrijke gebieden als Woerden, Amstelland en het Gooi tot leen van Holland. Hij liet zich nadrukkelijk Graaf van Holland, Zeeland en heer van Friesland noemen. De edelen waren echter niet tevreden met hem en beraamden een complot. Hij werd gevangen genomen en op 27 juli 1296 vermoord bij Muiderberg. Hulp van Hollandse boeren kwam te laat. Aanvankelijk werd hij in Alkmaar begraven maar later herbegraven in Rijnsburg.

Generatie 1

Het stamboom overzicht, meestal Parenteel genoemd, begint met Jacob de Beers. Hij is dus de stamvader maar eigenlijk is er niets over hem bekend behalve dat zijn kinderen met het patroniem Jacobsz werden vermeld. Afgeleid van geboorte en trouwdata van deze kinderen is Jacob waarschijnlijk voor 1580 geboren en was hij woonachtig in of in de directe omgeving van Hoogwoud in Westfriesland. Er zijn 6 kinderen van hem bekend.

Het beroep van Jacob is ook onbekend. De omgeving van zijn waarschijnlijke woonplaats wijst op een agrarische achtergrond maar zijn zoon en kleinzoon zijn herbergiers en dan volgen ook twee generaties kooplieden en schippers terwijl pas in de 6e generatie het beroep van veehouder of landbouwer wordt genoemd. Dat blijft zo tot generatie 12 wanneer de familietak al is verhuisd naar de Beemster. Aannemelijk is wel dat Jacob katholiek was en dat is gebleven ondanks de reformatie die in 1572 was begonnen. Hoogwoud is van oudsher katholiek en had al in het jaar 718 een houten kerk waar volgens een legende de Friese Koning Radboud zich wilde laten dopen door bisschop Wulfram van Sens, maar nog juist bijtijds zijn voet uit het doopvont terugtrok toen hij begreep dat hij in de hemel zijn voorvaderen niet terug zou zien. Aangenomen mag echter worden dat de plaatselijke bevolking in navolging van hun vorst toen het katholiek geloof evenmin heeft omarmd. Na de omverwerping van de Westfriezen liet Floris V in Hoogwoud een houten kapel bouwen en stuurde er een "cappelaen" heen. In 1299 werd de kapel vervangen door een stenen gebouw die aan Sint Jan was gewijd. In de reformatie werd deze kerk de katholieken ontnomen. Zij moesten andere vormen zoeken en bijeenkomsten werden in het geheim gehouden. Boerderijen en schuren dienden als schuilkerken. Aan de buitenkant mocht niets van een kerkelijke bestemming zichtbaar zijn. In de archiefstukken wordt dan de kerkpatroon St. Jan niet meer genoemd en men schrijft over het "kerkhuys in het Zuyd-Ende van Hoogtwoud".

Hoewel sinds 1581 het Protestantisme het officiële geloof was waren de katholieken in Westfriesland na het vertrek van de geuzenleider Sonoy toch nog redelijk vrij om hun godsdienst te blijven beoefenen. De schout die als ordehandhaver moest toezien op het verbod van het katholieke geloof nam die taak niet al te serieus. Plakkaten waarop stond dat katholieken staatsgevaarlijk waren en een boete riskeerden, werden wel opgehangen maar dat gold in de praktijk alleen voor katholieke priesters, die kregen een boete of werden het land uitgezet maar de gelovigen werden nauwelijks opgepakt. Uit die tijd is maar één geweldsincident bekend. Een bestuurder van de Staten probeerde in Nibbixwoud een kerkdienst met 500 katholieken en vier priesters te stoppen. De man werd compleet in elkaar geslagen. Van hogerhand had men er ook geen belang bij de talrijke katholieken te vervolgen. De hoge bestuurders in Holland hadden simpelweg baat bij rust in dit waterrijk en wat achtergebleven gebied.

Het was de periode van de zogenaamde kleine ijstijd toen de gemiddelde jaartemperatuur in West-Europa ongeveer twee graden celsius lager lag dan tegenwoordig. Deze periode was rond 1430 begonnen en eindigde rond 1850. Het klimaat werd in die tijd gekenmerkt door koude en lange winters die vaak al in November begonnen en tot maart of zelfs april duurden. Trekvaarten en andere binnenwateren vroren dicht. De zomers waren niet warm en dat zorgde voor slechte oogsten en soms zelfs voor hongersnood. In de tijd van Jacob's geboorte had in 1570 de ergste watersnoodramp van de laatste eeuwen plaatsgevonden die bekend is geworden als de Allerheiligenvloed. Op 1 november van dat jaar begaven talloze dijken aan de Hollandse kust het als gevolg van een seer uytnemende hooghe vloet. De bekende hertog van Alva vermeldde in een brief aan koning Filips II dat maar liefst vijfzesde deel van Holland onder water stond. Er vielen veel doden te betreuren en tienduizenden mensen werden dakloos terwijl veestapels en wintervoorraden werden vernietigd.

Jacob leefde onder het bestuur van Filips II, de zoon van Karel V en Isabel van Portugal en ook “den Coninck van Hispangien, Heb ick altijt ghe-eert” maar ook de tijd van het ontstaan van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Dit gebied was nog lang geen eenheidsstaat. Karel V stamde uit het huis Habsburg en was in 1500 te Gent geboren. Hij was sinds 1506 via zijn vader Philips de Schone erfgenaam van de Bourgondische Nederlanden en vanaf 1517 door zijn moeder Johanna de Waanzinnige als Karel I koning van Spanje en sinds 1519 door zijn grootvader Maximiliaan van Oostenrijk tevens keizer van het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie, Kaerle, bij de gratie Gods, gekozen Rooms Koninck toekomende Keijser altijt vermeerder des Rijckx, Koninck van Kastilien van Leon van Grenada, van Arragon, van Navarre, van beijde Cicilien, van Jerusalem, van Valence, van Majorequi, van Sardens, van Corsica en Hertoege van Oostenrijk, Hertoege van Bougonge, van Lotharingen, van Brabant, van Lembourch en van Gelre, Grave van Vlaenderen, van Artoys, van Bourgpingne, van Henegauwe, van Hollant, van Zeland, van Namen en van Zutphen, Marcgrave des Heylicx Rijcx, heer van Vrielant, van Salyns, ende van Machelen. Karel V had in 1549 de Nederlandse gewesten verenigd tot een soort statenbond onder de naam de Bourgondische Kreits als onderdeel van het Heilige Roomse Rijk. Dit werd vastgelegd in de Pragmatieke Sanctie, die bepaalde dat dit gebied als dynastieke eenheid verder zou bestaan. Ieder gewest behield echter een zekere mate van zelfstandigheid. In 1556 deed Karel V in Brussel afstand van de troon en werd zijn zoon Filips II in Valladolid uitgeroepen tot koning van het Spaanse rijk. Karel V overleed in 1558 in Spanje en in hetzelfde jaar verloor Filips II de Habsburgse gebieden maar behield hij de Nederlanden.

Het Nederlandse gebied was toen het huidige Nederland met Belgie en Luxemburg alsmede een stukje noordwest Frankrijk. Het was dus nog tamelijk groot en telde ruwweg 3 miljoen inwoners. Het werd veelal aangeduid als de Zeventien Provinciën, met Antwerpen als de belangrijkste stad. Filips II liet zich in elke provincie vertegenwoordigen door een stadhouder, een lid van de hoge adel, waaronder Willem van Oranje Nassau. In de tijd van Jacob waren deze provinciën in opstand gekomen tegen de groeiende macht van de koning. De onlusten waren al begonnen met de Beeldenstorm in 1566 gevolgd door de komst van Alva als afgevaardigde van Filips II. Het optreden van Alva leidde echter tot een uitbreiding van onlusten en strijd. Aanvankelijk vocht Willem van Oranje tegen Alva maar bleef hij trouw aan Filips II. In 1581 werd officieel de trouw aan Filips II opgezegd met de ondertekening door 9 gewesten van het Plakkaat van Verlatinghe, ook wel Acte van Verlatinghe of akte van afzwering genoemd. Het plakkaat kan worden gezien als de Nederlandse onafkankelijksverklaring; de troon werd verlaten verklaard. De opstand kreeg het karakter van een burgeroorlog van protestant tegen katholiek waarmee de protestantse noordelijke provinciën uiteindelijk de onafhankelijkheid bereikten en de status van wereldmacht; de katholieke zuidelijke provinciën gingen echter verloren. Meer over de opstand der Nederlanden is te vinden op de website van de Bibliotheek van de Universiteit van Leiden

In Westfriesland stond het verzet onder leiding van Diederik van Sonoy, een edelman en geuzenleider die in 1572 door Willem van Oranje tot gouverneur van dit gewest was benoemd. Hij liet zijn geuzen in 1573 de omgeving van Alkmaar onder water zetten waardoor het Spaanse beleg van die stad mislukte en de victorie daar begon. Kort daarna verloren de Spanjaarden onder leiding van de graaf van Bossu de Slag op de Zuiderzee. Diederik van Sonoy was een dappere, maar ook zeer wrede man. Hij voerde een schrikbewind ten opzichte van katholieken en was verantwoordelijk voor de dood van onder andere de martelaren van Alkmaar en de Ransdorpse martelaren. Hij raakte echter na de dood van Willem van Oranje in conflict met de Staten van Holland en weigerde de eed van trouw aan prins Maurits af te leggen, die vervolgens met zijn leger naar Westfriesland optrok en Medemblik met het kasteel Radboud na een beleg van zes weken op Sonoy veroverde. Sonoy raakte daarna zijn macht kwijt en vertrok uit Westfriesland.

Deze tijd is voor de noordelijke provinciën, die de staatsvorm van een republiek aannamen, het begin van de Gouden Eeuw en van grote welvaart in Holland en West-Friesland, waar het oorlogsgeweld al over was. Na 1574 hebben de spanjaarden in het gewest Holland geen stad meer belegerd. De gevechten vonden elders plaats, vooral in de zuidelijke gewesten en op zee. Na de val van Antwerpen in 1585 trokken zeer vele inwoners van Vlaanderen noordwaarts. Het waren vooral mensen met handelscontacten die van belang waren tijdens de Gouden Eeuw. Handel en scheepvaart waren de bouwstenen van deze tijd. Olivier van Noort zeilde rond 1600 als eerste Nederlander rond de wereld. Hij vertrok met vier schepen en 248 bemanningsleden maar kwam na 3 jaar terug met slechts een schip en 37 man. De tocht werd gevolgd door de oprichting in 1602 van de VOC met als doel handel te drijven in en met Azië. In de twee eeuwen van haar bestaan groeide de VOC uit tot het grootste bedrijf ter wereld met handelsposten in heel Azië en Westfriesland profiteerde mee. De steden Hoorn en Enkhuizen maar ook Medemblik waren in opkomst. In 1622 had het dorp Hoogwoud 1625 inwoners en was daarmee veel groter dan de omliggende dorpen Aartswoud, dat 675 inwoners telde, en Opmeer met slechts 393 inwoners. Een eeuw later waren deze aantallen door een teruglopende bevolking in geheel West-Friesland gehalveerd.

Generatie 2

Voor de familielijn is zoon Cornelis Jacobsz (de) Beers van belang. Hij woonde in Hoogwoud (1633-1641) en in Aartswoud (1654-1655). Niet bekend is waar of wanneer hij is geboren of gedoopt. Hij trouwde tweemaal; in 1633 met Fijtjen Claas en in 1653 met Neel Jans, alias “Moy Neelis”, waardin te Aartswoud en weduwe van Pieter Adriaensz Maat met 5 kinderen uit haar eerste huwelijk. Cornelis had uit zijn eerste huwelijk ook 5 kinderen; 3 dochters en 2 zonen. Cornelis is overleden tussen 1655 en 1660.

Er zijn enkele aardige gegevens over deze Cornelis bekend. In 1641 had hij Jan Jansz Graeff uit Oost-Indië in huis. In 1653 kwam hij voor de rechter wegens vuistslag en verwonding toegebracht aan notaris Jan Bijwaart en ondanks zijn ontkenning kreeg hij een boete van 35 gulden. Het volgend jaar stond hij opnieuw voor de rechter wegens vuistslagen toegebracht en het uiten van bedreigingen aan Meester Cornelis. Hij ontkende en Meester Cornelis probeerde met bewijzen te komen. Hij bleef echter ontkennen en Meester Cornelis kon het uiteindelijk niet genoegzaam bewijzen zodat Meester Cornelis veroordeeld werd tot een boete van 5 gulden.

Van Cornelis zijn vijf broers en een zus bekend. Ook van hen is niet bekend waar of wanneer zij zijn geboren of gedoopt. Zus Griet Jacobs was waardin aan de Wijseijnde te Opmeer; zij was tweemaal gehuwd. Ook zij komt een aantal keren in de gerechtelijke archieven voor. Zo beloofde zij in 1632 de verkoop van bier te registreren en niet te frauderen. In 1634 vorderde zij 8 gulden wegens leverantie van bier en brandewijn op de bruiloft van Pieter Jacobsz Schuytevoerder en tevens 16 gulden als loon voor haar zoon die als knecht was opgetreden.

Broer Luijtgen Jacobsz was kramer op de Kerckelaan te Hoogwoud. Hij trouwde met Aechtje Wallichs en van hem is een zoon Jan Luijtgens de Beers bekend die in 1660 woonachtig was in Opmeer. De naam van Luijtgen Jacobsz de Beers komt vele malen in de archieven voor. Hij wordt een aantal malen genoemd als getuige maar ook wegens een boete omdat hij in 1622 zonder overleg met zijn buurman Dirk Langereis een boom had gekapt en hij moest het hek repareren. Hij moest zich ook in 1623 verantwoorden omdat hij had zitten drinken bij Pieter Swaen op 2e paasdag, wat door Luijtgen echter werd ontkend. Hij kreeg in 1622 een boete van 18 stuivers wegens geborgen waar, wagenvracht en verschoten en geleend geld. In 1636/1641 stelde hij enkele vorderingen in wegens geleverd vlees, vracht en rijdloon.

Broer Pieter Jacobsz woonde “aan de Paedt in Opmeer” en hij wordt een paar keer in de archieven vermeld wegens een aantal boetes. Zo had hij nagelaten wijn te betalen aan waardin Dirkjen Symons en had hij ook Hillebrants Pieters niet betaald voor de levering van hooi voor de veestal. Erger was de beschuldiging dat hij een mes had getrokken en een kan had gegooid naar het voorhoofd van de officier, wat hem op een boete en hechtenis kwam te staan.

Broer Dirk Jacobsz trouwde in 1635 met Lijsbeth Arijaens en woonde in Hoogwoud. Bij het huwelijk werd aangetekend dat Maritgen Allerts Schrams het  ten onrechte heeft verhinderd. Van broer Jan Jacobsz is slechts bekend dat hij uit Hoogwoud afkomstig was en in 1625 trouwde met Alijt Wouters uit Westerblokker. Van de broers Pieter, Dirck en Jan zijn geen nakomelingen getraceerd.

Broer Jan Jacobsz trouwde in 1625 met Alijt Wouters. Bij zijn huwelijk wordt hij jongman van Hoogwoud genoemd; het trouwboek van de Gereformeerde Gemeente Wervershoof vermeldt op 4 mei 1625 Jan Jacobsz Beers van Hoochwoud ende Alijd Woutersd van Westerblocker, met attestatie vertrocken. Katholieken trouwden in die tijd vaak ook voor de Gereformeerde Kerk omdat huwelijken in de Katholieke Kerk niet officieel werden erkend. Met attestatie vertrokken wil zeggen dat het paar niet in Hoogwoud trouwde maar elders. Jan Jacobsz zou de vader kunnen zijn van Pieter Jansz Baars, de stamvader van de familie Beers uit Blokker.

Deze generatie leefde ruwweg in de eerste helft van de 17e eeuw. Dit was de periode van de ontdekking in 1606 van Australië door schipper Willem Janszoon die in opdracht van de VOC op zoek was naar goud en handel. Het was ook de tijd van de memorabele reis in 1618/1619 van schipper Willem IJsbrantsz Bontekoe met het schip de Nieuw Hoorn naar Indië. Zijn reisjournaal werd na publicatie een bestseller in de Republiek. In 1619 stichtte Jan Pietersz Coen de stad Batavia, een havenstad naar Hollands model. Het wordt het centrum van de Aziatische handel en bestuur van de VOC en zal de naam blijven dragen tot aan de Indonesische onafhankelijkheid in 1949. De VOC vestigde in 1641 een handelspost op het eilandje Deshima in Japan dat tot 1853 voor de Japanners het enige contact met de westerse wereld vormde. Abel Jansz Tasman zeilde in 1642 als eerste rond Australië en ontdekte Nieuw-Zeeland.

De West-Indische Compagnie (WIC) werd in 1621 opgericht. Het eiland Manhattan werd in 1626 gekocht voor een bedrag van 60 gulden. Piet Heijn kaapte de Zilvervloot in 1628 en maakte elf miljoen gulden buit. Het eiland Curaçao werd in 1634 op de spanjaarden veroverd en daarna tot centrum van de slavenhandel gemaakt.

Het is ook de tijd van de de Hollandse gekte rond de windhandel in tulpen met als centra Haarlem en Alkmaar. Rond 1630 werden twee schepels graan, vier karrenvrachten hooi, vier ossen, acht varkens, twaalf schapen, acht okshoofden wijn, vier vaten bier, twee vaatjes boter, een hemelbed met alles erop en eraan, een uitgaanskostuum en een zilveren drinkbeker neergeteld voor één tulpenbol van de paarswitte Viceroy-tulp. Op het hoogtepunt van de manie in januari 1637 werd er maar liefst 10.000 gulden voor een bol van het zeldzame type Semper Augustus neergeteld. Ter vergelijking: het loon van een timmerman bedroeg ongeveer 300 gulden per jaar, terwijl Rembrandt's Nachtwacht indertijd van eigenaar wisselde voor 1.600 gulden. Krap een maand later stortte de handel in.

Het land was voortdurend in oorlog met uitzondering van de periode 1609-1621, het zogenaamde twaalfjarig bestand. De handel bloeide en de Nederlanders werden de vrachtvaarders van Europa. In de Republiek heerste welvaart voor het patriciaat en de burgerij die behoorlijk wat geld konden uitgeven aan de verfraaiing van hun bestaan met gunstige gevolgen voor allerlei takken van kunst. Rembrandt van Rijn (1606-1669) profiteerde hiervan net als vele andere bekende kunstenaars. In 1648 werd de vrede van Munster gesloten waarmee de tachtigjarige oorlog werd beëindigd. Spanje erkende de Republiek als een zelfstandige staat. De zuidelijke Nederlanden bleven in het bezit van Spanje en zouden later in Oostenrijkse en uiteindelijk in Franse handen vallen.

Generatie 3

De familielijn vervolgt met de jongste zoon van Cornelis en Fijtjen en wel met Jan Cornelisz, herbergier van “de Speerruijter” en wonende aan de Gouw en Wijseneijnde in Opmeer. Jan trouwde met Ael Cornelis en hij is in 1667 in Opmeer overleden. Van hem zijn drie kinderen bekend.

Jan Cornelisz handelde in 1659 in strijd met de keur en kreeg een boete van 10 gulden. Hij werd in 1664 als getuige genoemd bij een incident met een steigerend paard. Hij kocht in 1667 de Osseweyde op een openbare veiling van Evert Symons Vlaar. Hij werd in 1661 en in 1665 aangeslagen voor 3 “haartstede”.

Jan Cornelisz had drie zusters en een broer. Zus Anna trouwde in 1664 met Haijcke Lambertsz uit Aartswoud, Diewer trouwde tweemaal, de eerste keer met Jacob Teinisz, meesterschoenmaker tot Aartswoud en de tweede keer in 1669 met Gerrit Sijmonsz, bakker. Van zus Aef is weinig bekend. Broer Claes trouwde met Geert Claes en woonde in Opmeer. Zijn zoon Claes Claesz Beers, geboren omstreeks 1653, staat vermeld als bootsgezel in een Amsterdamse scheepsverklaring van 1701 waarin wordt verklaard dat het schip “de Bordingh” lading had ingenomen in Dantzig maar dat een gedeelte van deze lading bestaande uit rogge en tarwe overboord was gezet tijdens een “seer sware storm” teneinde schip te doen rijzen en lading te redden. Deze verklaring staat afgedrukt in het boek “Zeevarenden op de Koopvaardijvloot omstreeks 1700” van Dr. P.C. van Royen.

De vaart op de Oostzee bestond voornamelijk uit bulkgoederen zoals hout, zout en granen. Het goederenassortiment van West-Friesland was weinig gevariëerd en werd gedomineerd door hout en zout. Hout voor de bouw van schepen en huizen maar ook voor dijkonderhoud. Zout werd vooral gebruikt in de haringvisserij en voor de conservering van levensmiddelen. Ook voor de kaasfabricage was zout onmisbaar. Als stapelmarkt voor granen functioneerde uitsluitend Amsterdam. Goede verbindingen binnen Holland en Westfriesland werden steeds belangrijker. De besturen van de steden Amsterdam, Purmerend, Monnickendam, Edam, Hoorn en Enkhuizen en het bestuur van de Staten van Holland en West-Friesland besloten in 1660 om een stelsel van trekvaarten tussen de steden aan te leggen. Deze trekvaarten werden gegraven, maar de trekvaart tussen Hoorn en Enkhuizen echter niet. De grondeigenaren hadden bezwaren tegen een jaagpad dat naast de trekvaart moest worden aangelegd. In plaats daarvan werd besloten een straatweg aan te leggen door de "Streek". De weg van werd beklinkerd met meer dan 8 miljoen grauwe moppen op zijn kant. Aan beide zijden van de weg werden bomen geplant. In 1671 is de klinkerweg, de Zesstedenweg, gereed. Er hoefde geen tol voor het gebruik te worden betaald. Over de weg werd een wagendienst voor reizigers en hun handbagage ingesteld.

Deze periode staat bekend als het eerste stadhouderloze tijdperk. Toen stadhouder Willem II in 1650 stierf moest zijn zoon Willem III nog geboren worden. In een bijzondere zitting van de Staten-Generaal werd beslist dat vijf gewesten van de Republiek geen nieuwe stadhouder benoemen. Deze periode zou tot 1672 duren. De macht lag toen bij de raadspensionaris Johan de Witt. Groningen en Friesland waren niet stadhouderloos; zij hielden Willem Frederik, een achterneef van Willem van Oranje, als stadhouder aan. In deze periode werd Kaap de Goede Hoop gesticht, brak de eerste en ook de tweede Engelse oorlog uit, veroverde de VOC heel Ceylon en gaf Peter Stuyvesant New York weg, kreeg de Republiek Suriname als compensatie en werd in het rampjaar 1672 Johan de Witt met zijn broer Cornelis door een woedende menigte vermoord. Het gepeupel was opgehitst door zijn politieke tegenstanders. De moord op hem en zijn broer vormt nog altijd een zwarte bladzij in de Vaderlandse Geschiedenis.

Regionaal waren er ook enkele rampen in het nieuws. Na de grote brand op 12 juni 1651 in Grootebroek volgde in 1675 de tweede Allerheiligenvloed. Op 4 november van dat jaar trad een Noordwester storm met springvloed op en de Drechterlandse dijk begaf het. Tussen Scharwoude en de Oudendijk brak de zeewering over een lengte van 30 roeden en er ontstond een wiel van 30 voet diepte. De landen rond Scharwoude, Grosthuizen, Avenhorn, Berkhout met de Bobeldijk en de Spierdijk kwamen onder water tot Medemblik toe. Bijna 5000 mannen gingen met schop en spade aan het werk. Herstelwerkzaamheden en voorzieningen kwamen op gang. Maar binnen 3 weken na de ramp werd bij een nieuwe storm het reeds aangevangen werk teniet gedaan door een nog hogere stormvloed waarbij Opmeer, Hoogwoud en Aartswoud met 20.000 morgen land onder water kwamen te staan. Na die 16de november toog men opnieuw aan het werk om dijken te verhogen en te herstellen totdat op 4 december nogmaals een storm losbrak. Bij aanhoudende wind gingen op 6 december weer talloze hectaren grond onder water. Het gat bij Zwaagdijk bleek moeilijk te dichten. Het was duur leergeld, maar er kwamen nadien veranderingen en verbeteringen tot stand.

Generatie 4

De lijn volgt met Cornelis Jansz Beers, schipper en landman in Opmeer en Spanbroek. Geboorte of doopdatum is niet bekend. Hij was schipper en commandeur op de walvisvaart alsmede waagmeester en landman. Hij trouwde met Lijsbeth Pieters, dochter van Pieter Smit. Er zijn 4 kinderen bekend. Cornelis Jansz is overleden op 16 juni 1701 te Spanbroek.

In 1683 werd hij vermeld bij de betaling van havengeld met het schip “de Baars” voor een reis naar Groenland en in 1685 en later met het schip “de Witte Beer”. Van hem is bekend dat hij gedurende de periode 1681-1691 heeft gevaren op de Oostzee, Portugal en Groenland (walvisvaart). In 1691 wordt zijn naam voor het laatst genoemd in verband met “de Witte Beer” als hij in een geschil met Adriaan Houttuyn, hoofdreder van dit schip, over de afrekening wordt aangeduid als de gewezen schipper. Geschillen met reders kwamen meerdere keren voor. Ook in 1685, 1686 en 1687 was daar sprake van. Meestal was dan sprake van een partenrederij waarbij het eigendom van een schip in parten was verdeeld, bijvoorbeeld van een kwart, een achtste maar ook een 64ste. In de boedelscheiding van 1719 opgesteld na het overlijden van Cornelis Jans Beers en Lijsbeth Pieters is zelfs sprake van 1/1202-ste deel. Zo werd het risico over meerdere beleggers of reders verdeeld. De reder met het grootste aandeel functioneerde meestal als boekhouder, bewindvoerder of directeur. Schipper Cornelis Jansz Beers en zijn zoon Pieter worden verder genoemd in het boek “Bouwers van de Zee: zeevarenden van het Westfries Platteland circa 1680-1720”, door Piet Boon.

De walvisvaart ontstond in het begin van de 17e eeuw als de gestegen koopkracht van de bevolking resulteerde in een toegenomen vraag naar oliën en vetten voor zeep, kaarsen en lampolie. Plantaardige oliën konden in deze nieuwe behoefte niet geheel voorzien. De ontdekking van robben en walvissen tijdens exploratietochten naar het noorden leverde als alternatief de mogelijkheid van traanolie op. Vrijwel van aanvang af waren Westfriese zeelieden bij deze activiteiten betrokken. Gevaren werd op Groenland, Spitsbergen en Jan Mayen, waar het spek direct aan land tot traan werd gekookt.

In het begin van de walvisvaart werd gebruik gemaakt van gewone koopvaardijschepen die niet waren uitgerust met speciale voorzieningen voor deze zeevisserij. Dezelfde schepen werden ook gebruikt bij de vaart op Archangel, de Oostzee, Frankrijk en Portugal. Bij de walvis vaart zorgde de schipper voor navigatie en verdediging; de commandeur had de leiding bij de walvisvaart. Tegen het einde van de zeventiende eeuw trok de walvispopulatie zich naar het noorden terug en bleek een ander type schip vereist dat bestand was tegen de krachten van het pakijs. Daarmee kwam een scheiding tussen de koopvaardij en de walvisvaart en verdween ook de schipper als vertegenwoordiger van de eigenaars van het schip. Voortaan had de commandeur zowel bij de navigatie als bij de walvisvaart de leiding.

In 1691 heeft Cornelis Jansz officieel domicilie gekozen in Stockholm. Daartoe werd in die tijd door Nederlandse schippers veelvuldig overgegaan in verband met de wens de scheepvaart in oorlogstijd onder neutrale vlag voort te zetten. Waarschijnlijk heeft hij daar met zijn gezin gewoond om te voldoen aan de bepalingen ter verkrijging van een zogenaamde burgerbrief. Dit was de tijd van de negenjarige oorlog toen het Frankrijk van Lodewijk XIV in oorlog was met de Republiek en Engeland (1688-1697).

Cornelis Jansz verkocht in 1688 de ouderlijke herberg “de Speerruijter” aan Maarten Jacobsz van de Nolle voor 1931 gulden en kocht in 1694 op een openbare veiling een huis met erf, boomgaard en kaashuis van de erven Jan van Twuyver. De combinatie van zeevaarder en tevens landbouwer was in zijn tijd heel gebruikelijk. In 1699 wordt hij aangeslagen voor het bezit van huis, landerijen, 4 bedden, 7 koeien en een gedeelte van een schip.

Van Cornelis Jansz zijn een broer en een zus bekend. Zus Griet Jans (de) Beers trouwde voor de eerste keer met Claas Jansz Koppies van de Hoogwouder Gouw en voor de twee maal met Claas Jansz Pelt, koopman in kaas in Opmeer. Cornelis Jansz was in 1695 na het overlijden van Claas Koppies benoemd als voogd over de kinderen van zijn zus. Cornelis trad een jaar later ook op als voogd van zijn nichtje Sijbrigh Jans Beers, dochter van zijn broer Jan Jansz (de) Beers die woonachtig was in Westerblokker en op het Keeren in Hoorn en getrouwd met Neel Jacobs, jongedochter van Spanbroek. Cornelis was al in 1694 benoemd als bloedvoogd over Dirck Pietersz, zoon van Pieter Dircksz, schipper van “de Son” die in Noorwegen was overleden, en Lysabeth Jans, in Stockholm was overleden. Dirck woonde bij Cornelis Jansz in huis te Opmeer.

Gedenkwaardige gebeurtenissen in deze tijd zijn het overlijden van Michiel de Ruyter in 1676 tijdens een zeeslag in de Middellandse zee, het uitsterven in 1681 van de Dodo op Mauritius, de vlucht van de hugenoten uit Frankrijk naar de Republiek en het bezoek in 1697 van Tsaar Peter de Grote. De komst van de vaak goed geschoolde Hugenoten gaven een nieuwe impuls aan het economische en culturele leven. Het is ook de periode van stadhouder Willem III, die in het rampjaar 1672 tot kapitein-generaal van het leger werd benoemd en later ook tot stadhouder. In 1677 trouwde Willem III met zijn nicht Maria Stuart uit Engeland. Elf jaar later tijdens de "Glorious Revolution" kwam hij samen met Maria op uitnodiging van het Engelse parlement op de Engelse troon terecht. Hij bleef kinderloos en stierf in 1702, waarmee de directe afstamming van Willem van Oranje ten einde kwam. Met zijn dood begon tevens het tweede stadhouderloze tijdperk en trad het verval in van de Republiek.

Generatie 5

Van de volgende generatie is voor de stamlijn Jan Cornelisz Beers van belang. Hij was koopman in Opmeer en Spanbroek. Hij huwde in 1710 met Griet Jans en is overleden in 1736 te Spanbroek. Van hem zijn 9 kinderen bekend, waarvan 7 al op zeer jonge leeftijd zijn overleden. Twee zoons, Cornelis geboren in 1712 en Jan geboren in 1715, bereikten de huwbare leeftijd. Jan Cornelisz Beers overleed in 1736 te Spanbroek en zijn vrouw Griet Jans in 1740, eveneens in Spanbroek.

Hij verzocht in 1717 de Heer van Spanbroek om een onderkomen om de godsdienst te belijden. Hij trad in 1718 op als voogd voor het kind van Jacob Graft en in 1720 als voogd voor het kind van Jan Symons Kieft. Hij werd in 1720 aangeslagen voor drie huizen, zes morgen en 829 roeden grond, 6 koeien en 4 bedden. In dat jaar verkocht hij aan Maerten Claasz Dekker de "damschuyt" die hij in 1717 had overgenomen van zijn broer Pieter. In 1732 trad hij nog op als voogd over de kinderen van Aatje Jacobs.

Volgens de boedelscheiding opgesteld op 27 januari 1719 na het overlijden van de beide ouders had Jan Cornelisz twee broers en een zuster. Van zus Marij Cornelis, die in 1732 is overleden, en van broer Claas Cornelisz, overleden in 1719, is weinig bekend. Marij was in 1719 volwassen en ongehuwd. Claas was toen nog minderjarig en werd vertegenwoordigd door een voogd. Broer Pieter Cornelisz Beers was in 1713 getrouwd met Mary Claes Borsten en van hem zijn 5 kinderen bekend. Enkele kinderen werden gedoopt in Hoogwoud waarbij werd aangetekend dat de ouders in Aken woonachtig waren. Het was destijds een lange straat (buurt) waar in latere tijden een tram langs reed van Schagen naar Hoorn met een halte 'de Aken'. Ook stonden daar de Aurora melkfabrieken (thans herinnert alleen nog de "toren" er van). De naam 'de Aken' is later verandert in de naam Koninginneweg, vanwege het bezoek van de Koningin destijds aan Opmeer en de buurtschap Aken. Pieter Cornelisz Beers kocht in 1716 een damschuit en was eveneens schipper. In 1717 droeg hij de damschuit en vee, vorderingen en meubelen aan broer Jan over om een schuld van 688 gulden aan hem te voldoen. Een damschuit, ook wel damloper genoemd, was een typische streekgebonden houten tjalk, een kleine zeilende vrachtschip en werd gebruikt om producten uit Westfriesland naar de steden te vervoeren. De naam dankt het schip aan het feit dat het via een overhaal over de dijk of dam kon worden gezet. Een damschuit kon 20 ton vervoeren. In 1718 vertrok Pieter als matroos met de VOC naar Indiën met het schip Huis te Foreest, een reis van 8 maanden en keerde terug met het schip Huis te Assenburg. Pieter stond bij de VOC geregistreerd als Pieter Cornelisz Baers. Een schaalmodel van het schip Huis te Foreest is te zien in het Westfries Museum in Hoorn. Het schip, een VOC-pinas type, is op haar tweede reis in 1722 bij Mauritius vergaan. Pieter was toen al afgemonsterd. Hij is in 1721 vanuit Ceylon gerepatrieerd met het schip "Huis te Assenburg" dat op 5 augustus 1722 na ruim 8 maanden varen op Texel aankwam. In 1723 tekende hij opnieuw voor de VOC en vertrok hij met het schip "Berbices" op 12 juli 1723 van Texel als Bosschieter onder kapitein Wouter van Dijk naar Batavia, waar hij op 21 maart 1724 aankwam. Een bosschieter was een ervaren matroos die ook belast was met het afvuren van een kanon. Als einde van zijn verbintenis staat nu vermeld overleden op 14 mei 1724 in Azië.

Pieter heeft dus op drie schepen van de VOC gevaren. Het eerste schip "Huis te Foreest" was een fluit met een laadvermogen van 600 ton. Het vertrok op 3 mei 1718 van Texel met een bemanning van 130 zeelieden, 56 soldaten 3 passagiers. Het kwam op 10 september 1718 bij Kaap de Goede aan maar toen waren er al 6 zeelieden aan boord overleden. Tijdens het tweede gedeelte van de reis naar Batavia overleden er nog eens 5 zeelieden, 2 soldaten en een passagier. Het schip "Huis te Assenburg" was ietsje groter met een laadvermogen van 800 ton. Het was in 1718 in Amsterdam gebouwd en werd in 1735 opgelegd. Haar eerste zeetocht begon op 4 november 1719 van Texel naar Batavia met aankomst op 9 juni 1720. Pieter vertrok op haar tweede reis vanaf Ceylon via Kaap de Goede Hoop naar Texel. Gegevens omtrent de bemanning ontbreken maar wel werd genoteerd dat tijdens het eerste deel van de reis 29 personen waren overleden. Pieter kwam evenwel op 5 augustus 1722 op Texel aan. Zijn laatste schip "Berbices" was veel groter met een laadvermogen van 1136 ton. Het was in gebruik sinds 1709 en werd gebouwd voor de Kamer van Zeeland op de werf in Zeeland. Het werd in 1734 opgelegd in Azië. Het is dus niet vergaan maar wegens ouderdom afgedankt. De Berbices vertrok op 12 juli 1723 met 275 personen en kwam op 19 november bij Kaap de Goede Hoop aan. Daar bleef het 19 dagen liggen alvorens te vertrekken naar Batavia. Verdere gegevens omtrent het verloop van bemanning en schip ontbreken evenwel.

In het algemeen werd in die tijd nogal neergekeken op het werk voor de VOC. Het varen voor de VOC werd veelal als een schande ervaren. Zeelieden werden meestal alleen door slechte economische omstandigheden gedwongen werk te zoeken in de riskante vaart op Indië. Voor personen die financieel aan de grond waren geraakt was de vaart op de Oost dikwijls een laatste uitweg. In het soldijboek van de VOC staat bij Pieter dat hij in 1723 bij het aangaan van zijn tweede verbintenis een schuldbrief ondertekende. Zo'n schuldbrief was veelal op naam gesteld maar overdraagbaar en werd aan toonder uitbetaald. Aangenomen mag dus worden dat het Pieter niet heeft meegezeten. De verkoop in 1717 van de damschuit en andere bezittingen wijst daar al op, terwijl hij in hetzelfde jaar tevens van zijn moeder een voorschot van 200 gulden op de erfenis van zijn vader ontving.

Het was voor menigeen een moeilijke tijd. In 1703 vond een legendarische zuidwesterstorm plaats die veel schade op zee aanrichtte en ook op land zijn sporen naliet. In 1709 trof een historische koudegolf noordwest Europa. Mensen vroren dood in hun huis. In Nederland werden temperaturen van min 12 gehaald en de kou hield maandenlang aan. In 1717 was er met kerst een grote overstroming in Friesland en Groningen. Het was de grootste stormvloed van de 18e eeuw. Er vielen duizenden slachtoffers, mensen en dieren, vooral omdat de overstroming 's nachts plaatsvond. Tijdens het tweede stadhouderloze tijdperk werd ook spoedig en ook pijnlijk duidelijk dat de rol van de Republiek op het wereldtoneel was uitgespeeld. Engeland, Frankrijk en Duitsland overvleugelden de Republiek en de Nederlandse handel kreeg zware concurrentie. In het binnenland groeide de afstand tussen de burgerij en de rijkgeworden regenten. In 1730 werd een begin gemaakt met een afschuwelijke vervolging van homoseksuelen, waarbij tientallen werden geëxecuteerd. De strafbaarheid van het “crimen nefandum” werd pas na de inlijving van Nederland bij Frankrijk in 1810 opgeheven.

Generatie 6

Dan komt Jan Jansz Beers, geboren in 1715 te Spanbroek. Hij was landman dat wil in het algemeen zeggen boer, veehouder of landbouwer met eigen grond. Het boerenbedrijf werd te velde geleerd met een ploegstaart in de hand, door gedurigen arbeid, oplettendheid en ondervinding. De akkerbouw hield het verbouwen van granen en voedergewassen in. De veeteelt bestond uit het houden van koeien en kalveren voor de vetweiderij of de zuivelproductie met name van kaas. Ook werden veelal enkele varkens voor de slacht gehouden en een of meer paarden voor het zware trekwerk. De aanwezigheid van mestkalveren en varkens moet vooral gezien worden in samenhang met de kaasproduktie. De bij dit produktieproces overblijvende karnemelk, taptemelk en wei dienden de kalveren en varkens tot voedsel. Vrijwel iedere veestapel telde tevens een meestal beperkt aantal schapen, vermoedelijk ten behoeve van de wolproduktie voor eigen gebruik.

Sinds 1650 was er sprake van een langdurige depressie in de landbouw met dalende prijzen voor zuivelprodukten en graan als gevolg van een afnemende vraag. Het loonpeil bleef echter tamelijk constant terwijl de kosten van het dijkonderhoud en het beheer van de waterhuishouding bleven stijgen. Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw is er sprake van hogere prijzen en werden de problemen van de boeren aanzienlijk verlicht.

Jan Beers huwde in 1737 met Grietje Cornelis Abbekerk uit Hoogkarspel, dochter van Cornelis Abbekerk en Trijntje Dirks Huijsman. Cornelis Abbekerk was bij zijn huwelijk met Trijntje afkomstig van Wognum maar zijn ouders Jacob Cornelis Abbekerk en Duyfgen Pieters woonden in Zanegeest, een buurtschap waaruit het huidige dorp Bergen is ontstaan. Zanegeest ontleent volgens een legende zijn plaatsnaam aan het Mirakel van Bergen van 1421, waarbij tijdens de beruchte Sint-Elisabethsvloed de kerkinventaris van de verdronken kerk van Petten veilig aanspoelde en het zeewater dat in de kist was gedrongen later veranderd bleek te zijn in geronnen bloed. De plek waar de inventaris aanspoelde heet sindsdien Sacramentsdijk (nu Zakedijkje) en er werd een kapel gebouwd die echter in de Tachtigjarige Oorlog werd verwoest. Toch werd er tot midden 1960-er jaren in mei een stille tocht georganiseerd om dit wonder te gedenken. Dit gebruik is begin 21ste eeuw weer nieuw leven ingeblazen.

Jan Beers en Grietje Abbekerk trouwden in de RK kerk van Westwoud maar ze woonden in Hoogkarspel. Ze kregen 12 kinderen, waarvan er 7 jong zijn overleden. De kinderen werden in Westwoud gedoopt. Bij de dopen wordt Jan vermeld als Jan Jansen Beers. Westwoud met Binnenwijzend vormden de RK statie Westwoud. Er was in ieder geval reeds in 1656 een pastoor. Tot deze statie behoorden ook de parochianen uit Hoogkarspel en uit een gedeelte van Hoog- en Laag-Zwaagdijk. De statie was gewijd aan St. Martinus. Jan is in 1761 te Hoogkarspel overleden, oud 45 jaar. Grietje overleed een jaar later, eveneens 45 jaar oud. Zij liet 6 kinderen na in de leeftijd van 2 tot 18 jaar, die onder voogdij werden gesteld.

De naam van Jan Beers komt vele malen voor in de kadastrale archieven wegens koop en verkoop van grond, zaadland, grasland, houtland en woudland, maar ook vanwege hypotheekstelling. Hij trad daarbij op voor zichzelve maar soms ook als voogd voor anderen.

In de afstamming van zijn oudere broer Cornelis Jansz Beers komt een naamsverandering voor. Cornelis was ook landman en woonachtig in Spanbroek en is in 1748 aldaar overleden, oud 36 jaar. Hij trouwde met Lijntje de Groot uit Opmeer. Hij noemde zich wel Beers maar twee van zijn drie kinderen staan vermeld als Baars. Na het overlijden van Cornelis hertrouwde Lijntje in 1756 op huwelijkse voorwaarden met Jan Braak, houtkoper en houtzaagmolenaar uit Spanbroek. Ze is in 1777 te Opmeer overleden. Van zijn drie kinderen vestigde Jan Cornelisz Baars zich in Lutjebroek, Cornelis Cornelisz Baars werd veehandelaar en schepen in Spanbroek, terwijl Jacob Cornelisz Beers West-Friesland verliet en verhuisde naar Kennemerland nabij Alkmaar. Jacob trouwde daar en kreeg 8 kinderen maar bij het overlijden van zijn vrouw werd vermeld dat zij slechts 1 kind naliet, zodat aangenomen kan worden dat de overige 7 jong zijn overleden. Afstammelingen van Cornelis Cornelisz met de achternaam Baars bleven lange tijd in West-Friesland woonachtig en dit is nog steeds het geval maar zij kunnen nu, zoals met vele families het geval is, ook elders in het land worden aangetroffen.

Het tweede stadhouderloze tijdperk werd in 1747 beëindigd met de benoeming van Willem Friso, uit de Friese tak van het Huis van Oranje, als de eerste stadhouder van alle provincies van de Republiek. Hij noemde zich Willem IV. Het volk steunde hem uit hoop dat hij de macht van de corrupte regenten zou breken. Hij stierf echter snel en in 1751 werd zijn zoon Willem Batavus op 3-jarige leeftijd benoemd tot stadhouder Willem V, die werd opgevoed door zijn moeder Anna van Hanover en vanaf 1759 door Lodewijk Ernst van Brunswijk-Lüneburg-Bevern. In 1763 werd hij ernstig ziek en men vreesde voor zijn positie als opvolger. In 1766, meerderjarig geworden, trad hij evenwel aan als stadhouder. De 9-jarige Mozart was uitgenodigd en had een compositie voor de inhuldiging geschreven. In 1767 huwde de prins in Berlijn met Wilhelmina van Pruisen, een nicht van Frederik de Grote, die in 1768 de stadhouderlijke familie bezocht op Het Loo.

Generatie 7

De lijn gaat verder met Cornelis Jansz Beers, geboren in 1744 te Hoogkarspel en aldaar overleden in 1806. Hij werd 61 jaar oud en was veeman. Hij huwde in 1773 voor de katholieke kerk van Westwoud met Stijntje Entes uit Zwaagdijk, dochter van Ente Seijmense en Geertje Jans. Stijntje kwam uit een gezin van 9 kinderen. Ze had 2 broers en 6 zussen. Ze was een tweeling met haar zus Grietje. Bij haar doop in Westwoud werd ze ingeschreven als Christina en haar zus als Margreta. De afstammelingen van Ente Seijmense hebben later de achternaam Entius of Encius aangenomen. Cornelis en Stijntje kregen 8 kinderen, waarvan 4 jong zijn overleden. De kinderen werden gedoopt in Westwoud. Stijntje is in 1792 overleden, 40 jaar oud. Cornelis komt een aantal malen voor in de archieven wegens koop en verkoop van grond, zoals gras-, bouw- en zaadland, maar ook wegens huis en erf en wegens optreden als voogd. Hij liet in 1792 zijn testament maken.

Cornelis is geboren in het jaar dat via de koeienmarkt in Hoorn ook in Nederland de runderpest uitbrak. De epidemie heerste elders in Europa al vanaf 1740 en alle maatregelen die in Nederland waren getroffen om verspreiding tegen te gaan waren vergeefse moeite. Een groot deel van de veestapel ging verloren. Pas in 1756 ebde de ziekte even weg om een paar jaar later weer even onbarmhartig toe te slaan.

Kort na zijn huwelijk maakte Cornelis de stormvloeden in de jaren 1775/1777 mee. Door een combinatie van hoge vloed en zware storm liepen in de nacht van 14 en 15 november 1775 delen van Holland, Overijssel en Gelderland onder water. Het water in de Zuiderzee steeg tot ongekende hoogte. Bij Warder ontstonden gaten in de dijk. Niet alleen de Zeevang maar ook Waterland raakte overstroomd en zelfs delen van Amsterdam kwamen onder water te staan. De verliezen aan mensenlevens en goederen waren groot. Ook in Westfriesland was alles in alarmtoestand. De Westfriese omringdijk hield echter stand. Toen donderdag 16 november de wind was gaan liggen kon de balans worden opgemaakt. Het werd duidelijk dat met meer geluk dan wijsheid een dijkdoorbraak was voorkomen. Claas Cos formuleerde het in zijn rapportage van de schade die hij voor de Gecommitteerde Raden opstelde zo: Het welke dog door de Goddelijke voorsienigheijd met het doen cesseren der Winde, het lager worden der zeewateren en door de Trouwe hulp der menschen genadelijk is verhoed geworden. Een jaar later trad opnieuw een zware stormvloed op waarbij het water in de Zuiderzee het niveau van het voorgaande jaar bereikte en de maand in november 1777 kende een aantal zeer zware novemberstormen, waarvan die van 23 november de ergste was. Ook toen, zoals gewoonlijk bij noordwestenwind, gecombineerd met extra hoge vloed. De zee bleef een continue bedreiging.

Cornelis had 11 broers en zussen. Daarvan zijn er 8 jong overleden. Zus Grietje trouwde met Pieter Berkhout en is 83 jaar geworden. Broer Sijmen Jansz Beers trouwde met Antje Kuijper uit Zevenhusen bij Hoorn en werd 73 jaar oud. De kinderen van Sijmen Jansz staan vermeld met de achternaam Baars. Broer Pieter Jansz Beers was Schepen van Westwoud (1801-1804) en is in 1826 te Blokker overleden. In 1809 trad hij op bij de boedelverdeling van pastoor Baasjen in het belang der verarmde of onderstand behoevende ingezetenen van Oosterblokker, den Roomsch Catholyken Godsdienst belijdende. Pieter Jansz had 5 kinderen maar slechts twee dochters trouwden. Dochter Trijntje Beers trouwde met Jan Prins en dochter Marijtje met Jan Schoenmaker. De familielijn Beers werd vanaf hun vader alleen doorgezet door zoon Cornelis Jansz.

Dit is de tweede helft van de 18e eeuw, de periode van het einde van de Republiek der Verenigde Provinciën, de vlucht van de laatste stadhouder Willem V en het kortstondig bestaan van de Bataafse Republiek. Op Pinksteren 1795 is er feest in Hoorn. Feest van de vrijheid! Een juichend volk trekt langs de versierde straten, het danst een ererondje rond de Vrijheidsboom op de Roosteen. Dan is het even stil. Vanaf het bordes van het oude stad huis leest de secretaris de Blocquerie een tractaat voor: 'Bataaven! Thans is de luisterrijke dag gebooren, waarop het U eindelijk gebeuren mag, U openlijk te verheugen in het zeldzame en onwaardeerbaar geluk van U een waarlijk vrij en onafhankelijk Volk te mogen noemen. Twee eeuwen zijn verloopen sints de dageraat dier Vrijheid flaauwelijks begon aan te lichten. Gij viert thands het Feest niet slegts van een Vrij geworden Slaavenhoop, maar van een vrij en agtbaar Volk. Het staat U Bataaven, om deeze Uwe Vrijheid ongeschonden te bewaaren . Maar die vrijheid duurde niet lang.

Het was ook een rumoerige tijd. De Engels-Russische inval in 1799 in de kop van Noordholland veroorzaakte veel onrust in Westfriesland. In de beslissende slag in oktober 1799 werden de Engelse en Russische troepen echter door het gezamenlijke Frans-Bataafse leger in de omgeving van Alkmaar verslagen. Toen Cornelis Jansz stierf was er sprake van een koninkrijk onder Lodewijk Napoleon, broer van de Franse Keizer. Dit koninkrijk omvatte ongeveer het hele huidige Nederland behalve Limburg. Lodewijk Napoleon bleef maar vier jaar koning. Als zetbaas van zijn broer moest hij een sterker centraal gezag uitoefenen dan tijdens de Bataafse Republiek het geval was. Hij maakte zich geliefd bij het Nederlandse volk maar zijn beleid botste regelmatig met de Franse belangen. Zijn broer dwong hem tot aftreden en op 9 juli 1810 werd het Koninkrijk Holland bij Frankrijk ingelijfd en bleef nog drie jaar Frans gebied. In deze tijd werden enkele maatregelen met grote gevolgen doorgevoerd. De meter als afstandsmaat werd geintroduceerd. Het verkeer moest rechts gaan houden. De inlijving leidde tot invoering van nieuwe wetboeken: de Code Pénal (het Wetboek van Strafrecht), de Code Civil (Burgerlijk Wetboek) en de Code de Commerce (Wetboek van Koophandel). De rechterlijke organisatie werd sterk verbeterd. Verder kwam er een burgerlijke stand (en burgerlijk huwelijk). Door de Mijnwet van 1810 werden delfstoffen tot gemeenschapsbezit verklaard. Een Dijkwet zorgde voor beter onderhoud van de dijken. Bovendien werd in 1811 de algemene dienstplicht ingesteld. Dienstplichtigen konden zich tegen betaling laten vervangen door een plaatsvervanger (remplaçant).

Het verlies van Napoleon in de Volkerenslag bij Leipzig was aanleiding voor de Franse troepen om zich in november 1813 uit Nederland terug te trekken. Op 30 november landde Erfprins Willem Frederik, de zoon van de laatste stadhouder in Scheveningen, waarna hij tot souverein vorst werd uitgeroepen. Toen de Fransen verdwenen waren, werd hun meter ijlings afgeschaft en kwamen de oude maten weer terug met het bijbehorend bedrog. Met het Koninklijk Besluit van 29 maart 1817 werd het metrieke stelsel echter opnieuw ingevoerd met de meter als de Nederlandse El en de decimeter werd palm genoemd.

Generatie 8

De volgende in de lijn is Ente Cornelisz Beers, genoemd naar zijn grootvader van moeders kant Ente Seijmense. Hij was geboren in 1782 te Hoogkarspel en trouwde aldaar in 1812 met Grietje Pieters Buijten, geboren in 1791 in de Purmer onder Edam en dochter uit het tweede huwelijk van Pieter Buijten met Geertje Adriaansen de Wit.

Pieter Buijten was van Westfriese afkomst en in Hoogwoud geboren. Hij trouwde drie maal. Na het overlijden van Geertje Adriaansen de Wit in 1793 trouwde hij in 1800 met de rijke weduwe Meinoutje Cornelis Rentenier uit Hoogkarspel. Pieter had ook een dochter Aagje Pieters Buijten uit zijn eerste huwelijk; zij trouwde met Jacob Kok en woonde na haar huwelijk in Edam. De vader en grootvader van Pieter Buijten waren afkomstig uit Blokker. Zijn grootvader heette ook Pieter Maartens Buijten maar diens broer stond bekend als Cornelis Maartens Binnen. De broers waren getrouwd met twee zussen; Pieter met Grietje Elderts en Cornelis met Anna Elderts, dochters van Ellert Pieters Meer uit Noordermeer. Na het overlijden van Cornelis Maartens trouwde Anna Elderts in 1731 te Blokker met Pieter Cornelis Blokdijk, een van de voorvaders van Cornelia Stuijt die in 1906 trouwde met Nicolaas Beers, achterkleinzoon van Ente Beers.

De familie de Wit komt uit de Purmer en is verwant aan de familie Water die terug gaat tot Cornelis Pietersz Water uit de Wijdewormer. Hij had daar landerijen die hij uitbreidde met aankopen in de Beemster. Zo ook in 1726 toen hij twee morgen in dijkkavel 9 kocht van Pieter Gouw uit Ilpendam en in 1744 kocht hij van de Regenten Huiszittende Armen voor f 5.500 nog 8 morgen 492 roeden in de Arenbergserkavel 72 in de Beemster. Na het overlijden van zijn zoon Pieter in 1733 besloot hij met zijn vrouw Aaltje Cornelis een testament te maken ten behoeve van zijn vier toen onmondige kleinkinderen. Na zijn dood in 1749 wordt een verdeling van de omvangrijke erfenis tussen 3 inmiddels mondige kleinkinderen gerealiseerd. De moeder van Geertje de Wit was een van deze kleinkinderen. Zij verkreeg uit erfenis van haar grootvader "11 morgen 118 roeden lands, gelegen in de Purmer &de een morgen vijfhondert ses en sestigh roeden, seven voeten en ses duijm land onverdeeld in twintigh morgen vijfhonderd roeden met de huijzinge daar op staande, gelegen aan de noordzijde van de volgerweg op de caarte gequoteerd No. 38 & 39 B:K " (Binnenkavel).

Na zijn huwelijk ging Ente in Sijbecarspel wonen waar hij als boerenknecht werkzaam was. Hier werden twee kinderen geboren. Een zoontje overleed al spoedig na zijn geboorte. Na een paar jaar besloot Ente waarschijnlijk door toedoen van zijn schoonvader Westfriesland te verlaten en vestigde hij zich met vrouw en zoon Pieter in de Beemster. Na de drooglegging in 1612 werd de Beemster volgens de toen geldende schoonheidsidealen verkaveld in een strak geometrisch patroon van vierkanten en kwadranten. De stijl van de boerderijen die vervolgens in het nieuwe land werden gebouwd, sloot daar wonderwel op aan. Met het rechthoekige grondplan, gevormd door de haaks op elkaar staande wegen en sloten, en de driehoekige daken van de stolpboerderijen daar bovenuit is de Beemster nog steeds van een wiskundige schoonheid.

De Beemster is de eerste van de grote droogmakerijen van Nederland en geen polder is zo bejubeld als de Beemster. "Hier lacht de gouden tijd", dichtte Joost van de Vondel in 1644. "Wie zou hier zijn rust niet vinden", schreef zijn collega Claas Bruin. Jan Adriaensz Leeghwater maakte het wel erg bont met de bewering dat de Almogende God de Beemster zo overvloedig had gezegend dat het genoegzaam het grootste lusthof van Noord-Holland mocht heten. De drooglegging bleek echter een moeizaam en kostbaar proces maar uiteindelijk werd er toch op verdiend. De grond was zeer geschikt voor akkerbouw, het gras goed voor de vetweiderij van vee, de omgeving aanleiding voor rijke Amsterdamse investeerders tot het bouwen van fraaie buitenplaatsen en de schoonheid inspiratie voor dichters. Volgens Vondel was er een godin uit zeeschuim geboren.

Op 28 december 1815 kocht Ente Beers een boerenhuis met toebehoren en 25 morgen grasland gelegen in de Beemster aan de westzijde van de Jisperweg bekend als binnenkavel 23 voor 10.500 gulden van de erven Jan van Bleiswijk. Zij verhuisden meteen en hier werden nog drie kinderen geboren; een dochtertje overleed heel jong. Ente is in 1823 gestorven, slechts 40 jaar oud en 10 dagen nadat zijn vrouw was overleden, die 31 jaar oud werd. Zij lieten bij hun overlijden 3 kinderen na. Het dochtertje Stijntje overleed in 1828 te Hoogkarspel, oud 8 jaar; de twee jongens Pieter en Cornelis bleven op de ouderlijke boerderij aan de Jisperweg in de Beemster en werden door Opa Pieter Buijten opgevoed. Arie Krijnsz de Wit uit de Purmer werd als voogd en Jan Cornelisz Beers, broer van Ente, als toeziend voogd benoemd over de nagelaten minderjarige kinderen.

Grootvader Pieter Buijten overleed in 1833 en de kleinzonen waren toen 18 en 16 jaar. Samen met twee knechten en een dienstmeid bleven zij werkzaam op de boerderij die "de Erven Ente" werd genoemd. In 1839 was het tijdstip aangebroken om de boedel van zowel hun ouders als van grootvader Pieter Buijten te verdelen. Cornelis Beers verkreeg de ouderlijke boerderij en Pieter Beers nam genoegen met geld en andere zaken want hij had trouwplannen en wilde de Beemster verlaten. Pieter keerde terug naar Westfriesland waar hij trouwde met Marijtje Vlaar uit Hoogkarspel, dochter van Cornelis Vlaar en Adriana Stuijt en kleindochter van Grietje, de zus van Meinouwtje Rentenier en de derde vrouw van zijn grootvader. Hij bleef in Hoogkarspel tot 1844 en vestigde zich toen in Monnickendam, waar Marijtje is overleden. Daarna vertrok hij naar de Haarlemmermeer, die net was drooggelegd. Pieter Beers werd aldaar op 1.5.1855 ingeschreven, komende van Monnickendam met zijn drie zonen, Ente, Cornelis, Jacobus en Maartje Braak de dienstbode. Hij had tijdens de openbare verkopingen in de Haarlemmermeer, vier percelen van elk 20 bunder (ha) totaal dus 80 bunder grond gekocht voor ƒ 25.000,—. De percelen H-18 en H-19 gelegen aan de IJweg (tussen de Vijfhuizerwegen de Kruisweg) en perceel 1-4 (tegenover H-19), kocht hij op 18.5.1854. Perceel DD-24 gelegen aan de Sloterweg (tussen de Vijfhuizerweg en de Spaarnwouderweg) verwierf hij op 29.11.1854. Deze veilingen werden te Amsterdam gehouden in de Franse tuin. Met de bouw van de boerderij aan de IJweg werd al vlug begonnen, maar zij hebben zeker eerst nog wel een jaar in keten gewoond. Daarbij kwam nog de zorg voor 80 bunder land waar toen nog geen machine aan te pas kwam, reden waarom er personeel moest komen. De boerderij staat er nog steeds op no. 811 en wordt nu bewoond door zijn achter-achterkleinzoon Wim Beers.

Het jaar 1860 bracht veel veranderingen voor Pieter Beers. Na vier jaar bleek de boerderij al te klein en werd er elf meter aangebouwd. Pieter werd voorts benoemd tot zetter der directe belastingen voor de Haarlemmermeer. Bovendien besloot Pieter na negen weduwnaar te zijn geweest te hertrouwen met de 22-jarige Elisabeth Stokman.

Pieter Beers voelde zich thuis in de Meer en was beslist een bezig mens, een goede boer en waarschijnlijk een nog betere zakenman. Volgens overlevering betaalde hij met de opbrengst van zijn in de Purmer verkochte boerderij van 20 bunder land de 80 ha welke hij in 1854 in de Haarlemmermeer kocht. Als hij 8 jaar later, in 1862, ruim 156 bunder land in de Haarlemmermeer bezit kan gerust van hem worden gezegd dat hij goed geboerd heeft. In 1866 overlijdt Pieter en laat hij drie zonen uit zijn eerste huwelijk en een jonge weduwe met vier kleine kinderen alsmede een aanzienlijke erfenis na. De boedel wordt meteen verdeeld. Einde maart 1866 verscheen er een advertentie in het Weekblad van Haarlemmermeer waarin alles bijelkaar niet minder dan 18 huizen te koop werden aangeboden, benevens in totaal ruim 160 ha land. Dat was het resultaat van ruim 12 jaren boeren in de nieuwe polder.

In het jaar na zijn overlijden trouwden zijn zonen Cornelis en Ente Beers op dezelfde dag. Cornelis ging wonen in het ouderlijk huis aan de IJweg sectie H-18. Zijn weduwe Elisabeth trouwde in hetzelfde jaar met Dirk Kieft uit Spanbroek die ook naar de Haarlemmermeer was vertrokken. Dirk Kieft was toen 25 jaar en zijn vrouw bracht 4 eigen kinderen en stiefzoon Jacobus uit haar vorig huwelijk mee. Het nieuwe gezin liet een huis/boerderij bouwen op het perceel I-4. Met Dirk kreeg Elisabeth nog eens 8 kinderen. Veel later verhuisden zij naar sectie I-30, bij de R.K.kerk aan de Kruisweg te Hoofddorp, waar Dirk koster is geworden.

Twee zonen van Pieter trouwden met dochters van Pieter Kerkvliet. Zoon Jacobus Beers trouwde met Margaretha Kerkvliet en Ente Beers met Johanna Kerkvliet. Jacobus is na het overlijden van Margaretha met zijn tweede echtgenote Emma Stamms naar Amerika geëmigreerd. Hij ging in Iowa wonen waar zijn zwager Gerard Kerkvliet zich al in 1892 met zijn gezin van 16 kinderen had gevestigd. Ook zijn twee dochters Maria en Johanna en zijn twee zonen Petrus en Adrianus zijn eveneens naar Amerika vertrokken. Zijn dochter Maria die in 1897 in de Haarlemmermeer met Theodorus de Wit was getrouwd, is daar in 1907 overleden en dochter Johanna trouwde daar in 1904 met een zoon van Gerard Kerkvliet. Zoon Petrus, ook wel Pieter genaamd, was al in 1897 naar Amerika vertrokken en aldaar getrouwd. Hij kreeg 5 kinderen en er zijn ook al 17 kleinkinderen bekend. Adrianus, die zijn naam in Adrian had veranderd, trouwde in 1908 in Iowa met Maria Haasevoet uit Amsterdam die in 1907 naar Amerika was vertrokken. In de census van 1910 staat Adrian vermeld met vrouw Mary, zijn twee dochters Margaret en Johanna alsmede zijn inwonende vader Jacob. Aangenomen mag worden dat Emma Stamms dan is overleden. Adrian kocht een groot stuk drassig land maar kon daar geen goed draaiende boerderij van maken. Jacob overleed in 1920, oud 71 jaar. Adrian stierf kort er na in 1924 en werd 45 jaar oud. Bij zijn overlijden had Adrian 8 kinderen. De boerderij werd echter verlaten en Maria Haasevoet verhuisde met haar gezin naar Owatonna, waar een huis werd gehuurd. Van zijn zoon Walter Beers is bekend dat hij in WWII mee heeft gevochten en na de oorlog meer dan 10 jaar in Duitsland is gebleven. Daar trouwde hij en hij werd in 1995 op de militaire begraafplaats Arlington bij Washington DC begraven.

Hoewel Ente Cornelisz Beers naar de Beemster vertrok, bleven zijn broer Jan en zijn zussen Grietje en Geertje Westfriesland en ook het boerenbedrijf trouw. Broer Jan Cornelisz Beers was veeman en landschotgaarder in Hoogkarspel. Hij trouwde in 1802 met Jantje Vlaar uit Hauwert en is in 1852 op een leeftijd van 78 jaar overleden. Zijn vrouw werd 80 jaar en overleed in 1858 te Hoogkarspel. Jan trad op als armbezorger van de RK parochie bij verkoop van meubilair. Jan kreeg 7 kinderen waarvan er 4 jong zijn overleden; zoon Klaas bleef ongehuwd en zoon Cornelis kreeg twee dochters; dochter Antje trouwde met Jacob Rood. De familielijn Beers heeft zich vanuit hun vader Cornelis Jansz Beers alleen voort gezet bij zoon Ente Cornelisz Beers.

Zus Grietje Cornelis Beers trouwde in 1806 met Pieter Sijm en werd 73 jaar oud. Pieter Sijm was landman in Wervershoof. Zus Geertje Cornelis Beers trouwde voor de eerste maal in 1814 met Jacob Langedijk, landman in Spanbroek, en in 1826 voor de tweede maal met Willem Mettes, landman in Blokker. Zij overleed in 1845 in Blokker.

Na de ineenstorting van het Franse gezag in november 1813 werd op 2 december 1813 de Prins van Oranje uitgeroepen tot souverein vorst van de Noordelijke Nederlanden. De zuidelijke Nederlanden waren nog steeds in bezit van Frankrijk. De kersverse vorst liet meteen een nieuwe grondwet opstellen die in 1814 werd afgekondigd. In 1815 keerde Napoleon terug om nog 100 dagen keizer van de Fransen te zijn. Door een goede samenwerking van Nederlanders, Engelsen en Pruisen werd hij op 18 juni 1815 op de vlakte ten zuiden van het dorp Waterloo verslagen en vervolgens verbannen naar het eiland Sint Helena waar hij in 1821 overleed. In 1815 werden Nederland en Belgie op aandringen van Engeland dat een stevige buffer wenste tussen Frankrijk en Pruisen, samengevoegd tot een Koninkrijk met twee hoofdsteden: Amsterdam en Brussel. De souvereine vorst Willem Frederik promoveerde tot koning Willem I van de Verenigde Nederlanden met een gebied dat bijna zo groot was als onder Karel V. Engeland gaf bovendien het merendeel van de koloniën terug terwijl Willem I ook nog eens het groothertogdom Luxemburg verkreeg in ruil voor de verloren familiegebieden in Nassau. De eenheid duurde echter niet langer dan 15 jaar. In 1830 kwamen de Belgen in opstand.

Generatie 9

Cornelis Beers, zoon van Ente en ook vernoemd naar zijn grootvader, was geboren in 1817 in de Beemster. Hij werd wees toen hij 6 jaar was maar bleef samen met zijn broer Pieter op de ouderlijke boerderij en werd opgevoed door zijn grootvader die ook op de boerderij ging wonen. In 1839 op 22-jarige leeftijd erfde hij de boerderij en vertrok zijn broer baar Hoogkarspel. Hij bleef niet lang alleen. In 1842 trouwde hij, 25 jaar oud, met Trijntje Kat uit Wijdewormer, dochter van Pieter Klaasz Kat en Anna of Antje Jans Commandeur. Zij kregen 11 kinderen. Cornelis is 80 jaar geworden en overleed in 1897 in de Beemster. Trijntje werd 62 jaar en overleed in 1877. De familie Kat kwam uit de Zaanstreek maar de familie Commandeur weer uit West-Friesland en gaat terug tot Claas Jacobsz Commandeur, geboren omstreeks 1629 in Wognum. Hij was boer in ’t Westeinde in Wognum en tevens vrederechter en burgemeester. Zijn achternaam verwijst naar de walvisvaart. De familie Commandeur is vooral bekend geworden door vijf opeenvolgende benoemingen tot burgemeester van Wognum. Lijsbeth Beers, een achternicht van Cornelis en kleindochter van de broer van zijn grootvader Pieter Jansz Beers trouwde in 1787 met Klaas Commandeur uit dezelfde familie Commandeur.

De lijn Kat gaat terug tot Cornelis Jansz Kat die in 1739 trouwde met Lobje Jans. Het huwelijk werd gesloten in de R.K. kerk bij Haaldersbroek aan de waterloop De Braak en nu een onderdeel van de wijk Zaandam-Noord, gelegen tussen het water van de Braak, de Zaan, de snelweg A7 en het natuur- en recreatiegebied de Jagersplas. Aan de ene kant van de Braaksloot ligt 't kalf en aan de andere kant ligt Haaldersbroek. Ooit was het een onderdeel van de banne van Oostzaanen en de oudste bewoningskern van Zaandam. De kerk was in 1730 in Haaldersbroek gebouwd ter vervanging van de schuilkerk het Vleethuis op het Kalf en werd in 1887 op haar beurt vervangen door een eenvoudig neogotisch kerkje op het Kalf dat gewijd was aan Maria Magdalena.

De grootouders van Trijntje waren Klaas Cornelis Kat en Trijntje Jans Al die ook wel Trijntje Jans de Wit werd genoemd. Klaas overleed in 1796 en Trijntje bleef met een aantal jonge kinderen in de Wijde Wormer achter. Na een jaar besloot ze te hertrouwen met Cornelis Pieters Bloothooft uit de Beemster, weduwnaar van Geertje Cornelis Water, een nicht van Geertje Adriaansen de Wit waarmee Pieter Maartensz Buijten gehuwd was. De ondertrouw staat vermeld op 5 november 1797 in de Beemster maar zoals in het trouwboek van de RK statie op het Kalf staat geschreven ging het voorgenomen huwelijk niet door want Trijntje Jans de Wit, vidua Klaas Kat 19 november conjunjenda cum Cornelis Pieters Bloothoofd, pridie de vesperi, caepit aegrotare et 21 november obiit. Het huwelijk ging dus op 19 november 1797 niet door want Trijntje werd de avond daarvoor ziek en overleed op 21 november 1797.

Cornelis Beers werkte hard en het ging hem zakelijk voor de wind, maar privé kende hij veel tegenspoed. Hij zette zich in voor de polder. In 1851 verzocht hij de Jisperweg te beklinken en hij stelde zich in 1858 kandidaat als Hoofd-Ingeland; hij werd echter niet gekozen. In 1867 verzocht hij het waterpeil van de polder niet opnieuw te verlagen en in 1880 wilde hij dat de Kilmolen bleef malen. Cornelis was veehouder. De koe is voor de Beemster altijd de belichaming geweest voor de welvaart. Dat komt ook tot uiting in het gemeentewapen. Dit bestaat uit een veld van lazuur (hemelsblauw), waarop een koe van keel (rood) beschenen wordt door de zon. Koeien werden niet alleen gehouden voor de produktie van melk, boter en kaas maar ook voor de slacht. Vroeger graasden er in de Beemster veel vette rode weide-ossen voor de slacht. Het vlees werd gepekeld voor de verre reizen van de Hollandse Handelsvloot. Door de runderpest verloren soms veel boeren hun gehele veestapel. Roodbont vee werd langzamerhand vervangen door zwartbont. Bekende marktplaatsen voor de Beemster waren Purmerend en Alkmaar.

Van oudsher is Westbeemster een katholieke enclave in de protestantse droogmakerij Beemster. Al in de eerste helft van de zeventiende eeuw ontstonden enkele schuilkerken in boerderijen in het westelijk deel van de Beemster. In 1752 waren er ruim 500 communicanten en werd in Westbeemster een kleine kerk gebouwd, gewijd aan Johannes de Doper. Omdat het wettelijk niet toegestaan was, mochten andersgezinden alleen laagbouw neerzetten, pas in 1827 werd het dak verhoogd. Maar de katholieke gemeenschap moest nog bijna honderd jaar wachten op hun eigen kerk, die werd in 1879 ingewijd. Saillant detail is dat de aannemer zich dermate op de bouw had verkeken dat hij eraan failliet dreigde te gaan. Enkele jaren later verrees naast de kerk een klooster met een school. De monumentale kerk in Westbeemster werd enkele jaren geleden in oude luister hersteld. De kerk heeft een opvallend altaar, gebrandschilderde ramen en een bijzonder fraai orgel uit 1890. Tegenover de kerk aan het Kerkplein is de oude schuilkerk nog aanwezig, als café De Kerckhaen.

In 1877 overleed zijn vrouw en twee van zijn dochters. Daarvoor waren al 5 kinderen op jonge leeftijd overleden. Zoon Klaas was kort daarvoor in 1875 naar een verpleeginriching in Den Bosch vertrokken waar hij tot zijn overlijden in 1907 zou blijven. Dochter Grietje was daar gedurende 1871-1872 eveneens opgenomen maar zij was "met gunstig gevolg verpleegd en hersteld ontslagen". Cornelis bleef achter op de boerderij met 3 van zijn 11 kinderen. In 1879 trouwde zoon Jan die naar Westzaan vertrok om aldaar werkzaam te zijn in het boerenbedrijf. In 1883 overleed dochter Grietje. In 1886 kocht hij van Aafje Ruiter (1833-1889), weduwe van Simon Buijs (1830-1886), voor een bedrag van 40.630 gulden de boerderij Loeffendijk met 17 hectare grond in de Beemster aan de Noordringdijk, tegenwoordig de Noorddijk 2. Dit bedrag moest alsvolgt betaald worden: "alle betalingen geschieden des voormiddags elf Uur ten kantore van mij notaris in Nederlandsch goud- of zilvergeld of in Nederlandsche Bankpapier". Zoon Jan met zijn gezin ging daar wonen en werken. Loeffendijk stond na de drooglegging van de Beemster in 1612 bekend als Dijkkavel 100. In 1621 werd de boerderij "De steenplaats" genoemd, waarschijnlijk een der eerste stenen boerderijen in de Beemster.

Bij zijn overlijden in 1897 had Cornelis zijn vrouw en 8 kinderen overleefd. De erfenis werd verdeeld tussen de zonen Pieter, Klaas en Jan. Klaas erfde de boerderij aan de Noordringdijk en zoon Jan geld, effecten en vorderingen, waarmee hij een boerderij aan de Volgerweg kocht. Zoon Pieter erfde de ouderlijke boerderij "De Erven Ente", waar hij tot 1922 zou blijven wonen. Aangezien hij ongehuwd bleef, kwam zijn neef Pieter, zoon van zijn broer Jan, op de boerderij. Hij vertrok naar De Rijp en overleed in 1930, oud 85 jaar. In zijn testament liet hij de boerderij na aan zijn neef Pieter onder de voorwaarde dat hij de gewezen huishoudster van zijn overleden oom Pieter wekelijks een uitkering moest brengen van 7.50 gulden. Zij overleed in 1939 en al die tijd reed neef Piet elke maandagochtend op de fiets naar De Rijp om haar het geld te overhandigen.

Cornelis maakte bijna de gehele 19e eeuw mee. Hij was geboren in het nieuwe koninkrijk der Nederlanden van Willem I. Meer dan drie eeuwen scheiding hadden echter de noordlijke en de zuidelijke gewesten van elkaar vervreemd. De koning deed niets om de verschillen te overbruggen. Uit onvrede over de heerschappij van de noordlijke gebieden sloegen de katholieken en de liberalen in het zuiden de handen ineen. In 1830 brak daar een revolutie uit die de volle steun kreeg van Frankrijk. Een revolutionaire regering riep de onafhankelijkheid van de zuidelijke Nederlanden uit en in 1831 werd Leopold van Saksen-Coburg-Saalberg met steun van Engeland en Frankrijk gekroond tot koning van België. Willem I weigerde meteen mee te werken. De hoge kosten van het leger drukten echter zwaar op zijn staatskas en na een handelsembargo bezweek hij voor de internationale druk. In 1839 werd het verdrag getekend waarbij Nederland en België opnieuw werden gescheiden. Rond 1850 was Nederland een klein land met iets meer dan 3 miljoen inwoners.

Ook daarna maakte hij grote veranderingen mee. Koning Willem I kon nog als een autoritair vorst regeren maar werd in 1840 opgevolgd door koning Willem II die zich in 1848 in een nacht van conservatief tot liberaal bekeerde en al in 1849 werd opgevolgd door koning Willem III. Het jaar 1848 bracht ministeriële verantwoordelijkheid aan het parlement waardoor er een einde kwam aan de politieke macht van de koning. Echte democratie was echter ver weg. Het censuskiesrecht gaf stemrecht aan een rijke burgerij van slechts 55.000 mannen. Nederland was toen nog een protestants land en hoewel de scheiding van kerk en staat in de grondwet was vastgelegd, had het katholieke deel van de bevolking het moeilijk. Pas in 1853 herstelde de paus de kerkelijke hiërarchie met de benoeming van bisschoppen hetgeen echter gevolgd werd door een uitbarsting van een protestantse volkswoede.

In deze eeuw werd het wegennet sterk uitgebreid en verhard. Koets en trekschuit verdwenen door de aanleg van spoorwegen. Machines gingen taken van mens en dier overnemen. Rond 1880 vond het polderbestuur van de Beemster dat de stoommachine de bemalingstaak van de windmolens kon overnemen. De stoombemaling werd ingevoerd en de molens werden afgebroken en/of verkocht. Met 3 stoomgemalen bij Oosthuizen, De Rijp en Beets werd de polder drooggehouden. Het was de tijd van de grote agrarische crisis die omstreeks 1878 begonnen was en heel West-Europa trof. Oorzaak was de opkomst van de Verenigde Staten als grootste graanexporteur ter wereld. Vanaf 1880 kwam ook Rusland met grote hoeveelheden graan op de markt. Wat in de akkerbouw begonnen was gebeurde ook in de weidebouw. Een crisis van ongekende omvang verbreidde zich over Europa. Het platteland verarmde. Veehouders waren afhankelijk van de prijzen van boter en kaas. In de tijd van de landbouwcrisis daalden de prijzen van boter, kaas, vee en land snel. De gevolgen werden nog lang gevoeld. Door de oprichting van landbouwscholen, coöperaties en boerenleenbanken alsmede de introductie van mechanische werktuigen, kunstmest en nieuwe gewassen werd de crisis tegen het einde van de eeuw bedongen.

Aan het einde van zijn leven maakte Cornelis nog net de uitbreiding van het spoorwegnet door de Beemster mee. In 1895 werd een tramlijn Amsterdam-Purmerend-Alkmaar geopend, een smalspoorlijn. De wagens werden getrokken door stoomlocomotieven. Vanaf Purmerend reed de stoomtram over een ophaalbrug Zuidoostbeemster binnen. Deze brug was beveiligd door een wachter met een vlag en een seinpaal. Met een grote S-bocht slingerde de baan zich langs de Purmerenderweg naar beneden. De lijn ging via Middenbeemster langs de Rijperweg naar De Rijp en via Schermerhorn naar Alkmaar. Toen Cornelis in 1897 overleed regeerde koningin-regentes Emma en waren de voorbereidingen voor de inhuldiging van haar dochter als koningin Wilhelmina al begonnen.

Generatie 10

De lijn volgt evenwel Jan Beers, veehouder, geboren in 1852 in de Beemster. Hij vertrok in 1878 naar Westzaan en trouwde in 1879 in de Beemster met Veronica of Vrouwtje de Haan , geboren in Hoogkarspel, dochter van Klaas de Haan en Jantje Karsten. De familielijn de Haan gaat terug tot Cornelis de Haan die in 1702 in Venhuizen is geboren als zoon van Cornelis Timmerman en Grietje Freeks. Het is een Westfriese familie van timmerlieden, veehouders en landbouwers. De familie Karsten kwam uit Binnenwijzend en gaat terug tot Jan Jansz Karsten, die in 1748 trouwde met Trijntje Jans. De naam Jan Jansz Karsten komt bij deze voorouders veelvuldig voor. De vader van Jantje heette Jan Jans Karsten en was getrouwd met Maartje Pieters Vriend. Haar grootouders waren Jan Jans Karsten en Antje Jans Koedooder. Maartje Pieters Vriend was een van de 12 kinderen van Pieter Jans Vriend uit Venhuizen, een rijk man met veel land in Venhuizen, Blokker en Westwoud alsmede 6 boerderijen met erf. Hij was ook enige tijd burgemeester van Venhuizen. Pieter Jans Vriend was in 1791 getrouwd met Marijtje Jans Stam uit Binnenwijzend en een nicht van Liesbeth Pieters Stam uit Oosterblokker die in 1776 te Blokker trouwde met Pieter Jans Beers, een zoon van Jan Jans Beers en Grietje Cornelis Abbekerk.

Veronica had een goede opleiding genoten in Enkhuizen op een kostschool voor rooms katholieke meisjes opgericht in de tweede helft van de 19e eeuw, "voor kinderen van het platteland, vooral uit de boerenstand". Deze school was gevestigd in het in 1862 gebouwde klooster van de zusters van O.L.Vrouw van Amersfoort. Er werd les gegeven in "Katechismus, lezen, schrijven, rekenen, vormleer, de Hollandsche en Fransche talen, gewijde, vaderlandsche en algemeene geschiedenis, aardrijkskunde, zang en muziek (piano), benevens alle vrouwelijke handwerken." De leerlingen kwamen niet alleen uit de regio, maar ook uit alle andere delen van het land. Vooral uit Friesland en Groningen. Dat had ook te maken met de goede boot- en treinverbindingen, zeker nadat in 1885 de spoorlijn naar Zaandam was aangelegd. De school had ook externe leerlingen uit de stad of directe omgeving. Door de vestiging van scholen elders, werd het internaat in juli 1909 gesloten. Zij werd in 1869 als leerling ingeschreven.

Veronica is vernoemd naar haar grootmoeder Veronica Vreijers, getrouwd met Cornelis de Haan en dochter uit het tweede huwelijk van Klaas Vreijers en Antje Pieters Ruijter. Deze families hadden hechte banden want Jan een zoon van Klaas Vreijers trouwde met Marijtje de Haan, een zus van Cornelis. De familie Vreijers gaat terug tot Jan Jacobs Vrijers, geboren in 1732 in Zijdewind, die in 1756 trouwde in Nieuwe Niedorp maar later in Opmeer en Hoogwoud woonachtig was. Deze Jan trouwde drie keer en van hem zijn 14 kinderen bekend.

Een week na het huwelijk vertrok het echtpaar naar Westzaan alwaar Jan werkzaam was in het boerenbedrijf. Na een jaar werd het eerste kind Cornelis geboren. Het is slechts 4 maanden oud geworden. Het jaar daarna werd het tweede kind Nicolaas geboren, dat vernoemd werd naar de grootvader van moeders kant, Klaas de Haan. Lang hielden ze het niet vol in Westzaam. In 1884 vertrok het gezin naar de Graftermeer waar ze introkken bij het bejaarde landbouwersechtpaar Dirk van der Linden en Magelina Uithoren. In 1886 keerde het gezin met een dienstbode en een knecht terug naar de Beemster om te gaan werken op de boerderij Loeffendijk aan de Noordringdijk. Daar werden nog een dochter en twee zonen geboren.

Bij de verdeling van de erfenis van zijn vader verkreeg Jan niet het eigendom van de boerderij waar hij al jaren werkzaam was maar geld en andere waarden waarmee hij in 1900 Binnenkavel 40 aan de Volgerweg en bekend als de boerderij “Buitenrust” met erf, schuur, moestuin en 17 hectare land kocht voor 37.825 gulden van Cornelis van Dort. Het gezin vertrok van de Noorddijk naar de Volgerweg. Een nieuwe tijd brak aan maar bracht geen voorspoed of geluk voor Jan die geestelijk in de war raakte. Na het overlijden van zijn schoonvader in 1902 voelde hij zich bij de verdeling van de erfenis te kort gedaan door zijn zwager Klaas Velzeboer, die getrouwd was met Maartje de Haan, zus van zijn vrouw. Jan achtte zich door zijn familie tekort gedaan. Hij werd in 1904 opgenomen in een verpleeginrichting maar dat bracht hem uiteindelijk geen genezing. Hij werd droefgeestig en een sterke mate van dementie trad in. Hij is tot zijn dood in 1930 daar gebleven.

Voor het huwelijk van zijn vader met Trijntje Kat waren er al verscheidene banden tussen de familie Beers en de familie Velzeboer. Zwager Klaas Velzeboer was de zoon van Simon Velzeboer en Maartje Kat, zus van de moeder van Jan Beers. Een oom van zijn moeder, Aldert Kat was gehuwd met Trijntje Velzeboer, een zus van de opa van zwager Klaas. De familie Velzeboer woonde al generaties lang in de Beemster.

Het boerenbedrijf aan de Volgerweg werd vanaf 1904 geleid door zijn vrouw Veronica de Haan. Het was een moeilijke tijd voor haar. De oudste zoon Nicolaas vertrok al spoedig naar de familieboerderij aan de Noorddijk. Zoon Cornelis ging hem achterna. Zoon Pieter vertrok in 1922 naar de boerderij aan de Jisperweg. Veronica bleef op de boerderij achter en werd naderhand geholpen door dochter Catharina, die in 1897 naar dezelfde kostschool voor katholieke meisjes in Enkhuizen was gezonden waar ook haar moeder een opleiding had genoten. Catharina trouwde met Nicolaas Ruijter, zoon van Joris Ruijter en Maartje Commandeur uit de bekende burgermeesterfamilie Commandeur van Wognum, dezelfde familie van de moeder van Trijntje Kat, echtgenote van vader Cornelis Beers. Veronica de Haan overleed in 1927 oud 70 jaar. Jan Beers werd 78 jaar oud. Hij overleed in 1930 te ’s-Hertogenbosch vier maanden nadat zijn broer Pieter was overleden. Na het overlijden van Veronica de Haan werden twee van de drie boerderijen verkocht. Alleen de boerderij aan de Jisperweg bleef in de familie. Op 18 october 1927 werd de Hofstede "Buitenrust" aan de Volgerweg, bestaande uit een Huismanswoning met schuur, erf, boomgaard, wei- en bouwland, samen groot 17.10.20 H.A. op een openbare veiling verkocht. Koper tegen een bedrag van 60.700 gulden werd Klaas Ruiter, die in 1917 getrouwd was met met Catharina Johanna Beers, dochter van Veronica de Haan en Johannes Beers. De Hofstede aan de Noorddijk met enige percelen grond, tezamen groot ruim 17 H.A. werd ook op die dag geveild. Koper werd P. Groot te Noord-Beemster met een bedrag van 51.492 gulden. Bovendien werd een boeldag gehouden. Op 27 october 1927 voor de Hofstede "Buitenrust" en op 17 november 1927 op de Hofstede aan de Noorddijk. Verkocht werden melkrijk hoornvee, rijtuigen, melk- en boerengereedschappen, hooi en huisraad.

Dochter Catharina Johanna Beers is met haar man op de boerderij aan de Volgerweg no. 20 in de Beemster gebleven en overleed in 1974. Zoon Cornelis Johannes Beers die bij zijn broer Nico woonde op de boerderij aan de Noorddijk vertrok op 20-3-1928 met zijn broer Nico en zijn gezin van de Beemster naar De Rijp (Rechtestraat 59) en op 9-1-1929 van De Rijp naar Purmerend, waar hij een sluiterij had gekocht. Een jaar later trouwde hij in Purmerend met Catharina Maria Pooijer uit Volendam en vestigde zich in Amsterdam, waar hun vier kinderen zijn geboren. Later begon hij een slijterij in Volendam. Zijn broer Petrus Johannes Beers kortweg Piet genoemd, bleef in de Beemster en was erfgenaam in de nalatenschap van zijn oom Pieter. Hij zou later de stolpboerderij aan de Jisperweg no. 111 met 21 hectare land aan twee van zijn zoons overdoen.

Generatie 11

Nicolaas Beers werd geboren in 1881 in Westzaan. Hij woonde even in Graftermeer maar vanaf 1886 in de boerderij Loeffendijk aan de Noorddijk in de Beemster. Gedurende de periode 1889-1894 verbleef hij, zoals toen gebruikelijk in de familie, op een kostschool in St. Michelsgestel. Op 13 april 1894 keerde hij terug in de Beemster; eerst aan de Noorddijk en naderhand aan de Volgerweg. Op 19-jarige leeftijd werd hij ingedeeld als loteling voor militaire dienst maar pas 8 jaar later werd hij opgeroepen en ingedeeld bij de 25-ste Compagnie Landweer-Artillerie als kanonnier. Begin 1910 ging hij met groot verlof. Tijdens de mobilisatie van 1914 werd hij opgeroepen en deed dienst in fort Amstel bij Uithoorn, onderdeel van de Stelling van Amsterdam. Hij was toen al getrouwd en vader van 5 kinderen. Hij trouwde in 1906 met Cornelia (Neeltje) Stuijt uit Uitgeest, dochter van Nicolaas Stuijt en Jannetje of Joanna Noom. Neeltje was de kleindochter van Arien Stuijt en Antje Komen, de tweede vrouw van Klaas de Haan, de grootvader van Nicolaas Beers en naar wie hij ook is vernoemd; zijn moeder was dus een stiefzus van de vader van zijn vrouw. Nicolaas en Neeltje hebben elkaar wellicht van jongsaf aan gekend.

De familielijn Stuijt gaat terug tot de tijd van Jacob de Beers. Voorvader Jan Sijmensz Stuijt is omstreeks 1574 geboren en was koopman in graan, bier en wijn in Schagen en Spanbroek. De eerste generaties Stuijt waren ook koopman en/of herbergier in Spanbroek en Hoogwoud. Evenals bij de familie Beers komen later voornamelijk landbouwers of boeren voor. Het is van oudsher een echte Westfriese tak. De schrijfwijze wisselt weleens. Meestal Stuijt maar soms ook Stuyt. De familie heeft een aantal bekende personen voortgebracht. Jan Stuyt (1868 - 1934) uit Purmerend werd een vooraanstaand architect en zijn zoon Louis Stuyt (1914 - 2000) werd arts en later in 1971 namens de KVP minister voor Volksgezondheid en Milieu in het kabinet Biesheuvel. Louis Stuyt trouwde met Jonkvrouwe Eliane Odette Marie van Rijckevorsel van Kessel. Zijn broer Giacomo Stuyt was net als zijn vader architect maar werd later gevolmachtigd minister laatstelijk te Parijs. Opvallend is de zijtak van Heukelum Stuijt ontstaan in 1926 toen Josephus Jacobus Willebrordus Stuijt, geboren in Purmerend en van beroep commissionair in effecten te Amsterdam, zijn achternaam wijzigde na een daartoe verkregen Koninklijk Besluit in van Heukelum Stuijt. Hij was in 1929 getrouwd met Joanna Carola Maria Josepha Smits van Waesberghe en beiden verongelukten in 1948 bij een tragisch auto ongeluk in Huizen. Sommige leden van deze familie verlieten Nederland en thans komt de naam ook voor in Venezuela en Argentinië.

De voorouders van Jannetje Noom waren veehouders en landbouwers uit Markenbinnen bij Uitgeest en via de zijlijnen was zij verwant aan de families Kaasenbrood, de Wit, Zonneveld en Pronk, duinmeijers in Castricum en Heemskerk. De tak van Antje Komen komt weer uit Westfriesland. Haar vader Klaas Jansz Komen was in 1783 geboren in Hoogwoud; haar overgrootvader Dirk Komen woonde in Sijbekarspel. Antje Komen was verwant aan de families Roemer en Blokdijk uit Blokker, Wester uit Aartswoud en Klaver uit de omgeving van de Heerhugowaard.

Na zijn huwelijk betrok Nicolaas de familieboerderij "Loeffendijk" aan de Noorddijk in de Beemster. Nicolaas was veehouder en woonde hier met vrouw en 8 kinderen alsmede met het gebruikelijke personeel van dienstmeisjes en knechten. Bovendien woonde er nog enige tijd zijn broer, Cor Beers, alsmede een zwager, Jan Stuijt, die in 1926 naar Canada is vertrokken. In de Landbouwtelling van 1910 staat Nicolaas Beers vermeld als pachter van 17,42 ha land. Hij bezat 1 paard, 1 stier, 15 melkkoeien, 4 stuks mestvee, 9 kalveren, 20 schapen en 12 lammeren, 1 geit, 4 biggen en 24 kippen.

Een eeuw nadat Ente Cornelisz Beers zich met zijn gezin in de Beemster had gevestigd was er nog geen sprake van een groot aantal nakomelingen in de Beemster. Van zijn twee zonen is Pieter naar de Haarlemmermeer vertrokken en alleen Cornelis bleef in de Beemster. Van zijn 11 kleinkinderen die daar geboren werden, zijn er 2 over; Piet die ongehuwd was en op de "erven Ente" woonde en Jan die wel getrouwd was en een boerderij had aan de Volgerweg. In 1915 waren er slechts 5 achterkleinkinderen in de Beemster woonachtig. Nico en zijn broer Cor aan de Noorddijk en nog 3 kinderen bij hun moeder aan de Volgerweg. Nico was toen als enige getrouwd en had al 5 kinderen terwijl de 6e op komst was. Van Pieter Beers in de Haarlemmermeer had Ente 14 kleinkinderen, waarvan 6 zonen en een dochter trouwden. Een zoon vertrok naar Amerika. In 1915 had Ente in de Haarlemmermeer 8 achterkleinzonen en 16 achter-achterkleinkinderen met de achternaam Beers.

Na het overlijden in 1927 van zijn moeder Vrouwtje de Haan werden de boerderijen aan de Volgerweg en de Noorddijk verkocht. Ook werd er een boelhuis gehouden. Petrus Johannes Groot werd voor 51.492 gulden de nieuwe eigenaar van de boerderij Loeffendijk. Hij was in de verte verwant aan Nicolaas Beers, want ook hij was getrouwd met een Neeltje Stuijt. In 1928 verliet Nicolaas de boerderij in de Beemster en vertrok naar De Rijp. Met de erfenis van zijn moeder kocht hij de manufacturenzaak in de Rechtestraat op nummer 96 van zijn zwager August Sunder. August was getrouwd met Johanna Stuijt die in 1924 aan TBC was overleden. August vertrok met zijn kinderen naar Deventer om daar een zaak te beginnen maar dat werd geen succes; een jaar later verhuisde het gezin Sunder naar Alkmaar waar August de manufacturenhandel van de erven weduwe Schlichting voor 17.500 gulden had gekocht. Deze winkel vierde in 1979 haar 50-jarig jubileum. Nicolaas ging zelf niet in de winkel staan maar liet dat over aan zijn dochter Jo en zoon Piet met later ook zijn jongste zoon Hen. Nicolaas hield er wel een tuin bij. De winkel was echter geen succes en werd na de oorlog van de hand gedaan. Een jaar nadat Nicolaas in De Rijp was gaan wonen ging het eerste kind al uit huis. Zoon Nico was in 1929 vertrokken om als slagersknecht te werken eerst in Wognum maar later in Bovenkarspel en Alkmaar en vandaar in 1932 te Den Haag. Zoon Jan vertrok in 1932 naar Wateringen en zoon Cor eveneens in 1932 als slagersknecht eerst naar Limmen en naderhand naar Zaandam. Zoon Arie ging in Haarlem werken maar kwam na een halfjaar weer terug.

In de oorlog slaat het noodlot ook voor Nicolaas toe. Zijn vrouw Neeltje Stuijt was veel ziek en overleed in 1942. Op 6 februari 1945 's morgens om 10 uur vlogen ontzettend veel vliegmachines tamelijk laag over de omgeving van De Rijp. Ze gingen in oostelijke richting. Om half 11 zagen de inwoners een vliegtuig brandend omlaag komen. Men zei, dat er een achttal parachutisten naar beneden kwam, twee in de Beemster en de anderen in De Rijp en Graft. De twee in de Beemster zijn gevangen genomen maar in De Rijp is er een ontvlucht. De Rijp en Graft werden omsingeld door de Duitsers. Tijdens de daarop volgende razzia van de Duitse bezetter werd een aantal inwoners van De Rijp opgepakt waaronder zijn zonen Arie en Piet Beers maar zijn jongste zoon Hen werd doodgeschoten. Onder het dreigement van de Duitsers dat de volgende dag tien opgepakte mannen zouden worden doodgeschoten als de gevluchte parachutist zich niet voor 11 uur had gemeld, werd ook de laatste man, een Canadees, alsnog gevangen genomen. In het kwartaalblad van de historische vereniging Graft/De Rijp is een verslag opgenomen van het drama op die 6e februari 1945.
Ter nagedachtenis aan Hen Beers is in 1999 in Midden-Beemster nog een gedenkplaat onthuld die kort na de oorlog al was vervaardigd maar om onbekende redenen werd dat initiatief toen niet gerealiseerd. Hen Beers staat vermeld op de landelijke erelijst van gevallen 1940 - 1945 en ook in het slachtofferregister van de oorlogsgravenstichting.

Binnen een jaar na de oorlog valt het gezin verder uit elkaar en zijn alle kinderen het huis uit. Dochter Vroon trouwde met Piet van Etten, dochter Jo vertrok naar Eindhoven en werd kraamverzorgster, zoon Arie trouwde en ging in Abcoude wonen, zoon Piet vertrok ook naar Eindhoven. De manufacturenzaak werd verhuurd en Nicolaas vertrok toen uit De Rijp naar de Friescheweg in Oudorp (Alkmaar) waar zijn oudste zoon Jan een tuin was begonnen. In 1949 verbleef hij enige tijd in Badhoevedorp bij zijn zoon Nico die daar een slagerij had maar nog hetzelfde jaar keerde hij terug naar de Beemster en ging hij bij zijn dochter Vroon wonen. Hier bleef hij de rest van zijn leven wonen. Hij is in 1956 in Oostzaan tijdens een bezoek aan zijn zoon Cor plotseling overleden, oud 74 jaar. Nicolaas was de laatste boer uit deze familietak. Geen van zijn kinderen is het boerenbedrijf ingegaan. De oudste zoon Jan als tuinder kwam er nog het dichtste bij. De overige werden slager, schilder, winkelier of verkoper. Zijn oudste dochter trouwde met een caféhouder en de andere dochter bleef ongehuwd.

Generatie 12

Cornelis Petrus Beers is geboren in 1918 in de Beemster maar opgegroeid in De Rijp. Hij werd slagersknecht. Eerst in Limmen, waar jij op 5 juli 1932 ging wonen, komende uit De Rijp. Op 12 augustus 1933 vertrok hij vanuit Limmen naar Zaandam waar hij ging werken bij Slagerij Herman Schoen op de Zuiddijk. Hij trouwde in 1940 met Alida Anna (Alie) Lukken uit Oostzaan, dochter van Hendrik Lukken en Annetje Veldhoen. In 1945 trad hij in dienst bij de RVS en bleef daar tot zijn pensioen als agent en later als inspecteur werkzaam. Cornelis, die door de familie Beers Cor werd genoemd maar door de familie Lukken Kees, kreeg met Alie 8 kinderen. In 1957 verhuisde hij met zijn gezin van Oostzaan naar Hoorn en kwam hij dus in Westfriesland te wonen, het land van zijn voorvaderen. Hij is daar in 1999 overleden. Een paar van zijn kinderen zijn Westfriesland trouw gebleven en wonen in Hoorn en Twisk maar het merendeel vertrok naar plaatsen verder weg zoals Zaandam, Hilversum, Delfzijl, enz.

Cor en Alie zijn geboren in het jaar 1918 waarin de eerste wereldoorlog eindigde maar ook het jaar van de Spaanse Griep. In dat jaar trok een agressief griepvirus over de wereld waaraan tenminste 40 miljoen mensen zijn overleden, meer dan er in de eerste wereldoorlog waren omgekomen. In Nederland werd ongeveer een kwart van de bevolking ziek en overleden circa 17.000 mensen aan de gevolgen. Uit angst besmet te raken reden in 1918 vrijwel lege trams door Amsterdam en sloten horecagelegenheden hun deuren bij gebrek aan klanten. De economie zat in een diep dal.

De familie lukken is sinds 1804 in Oostzaan woonachtig en afkomstig uit Ermke/Molbergen in Duitsland. De stamboom Lukken is afzonderlijk gepubliceerd met een familieverhaal. Een zijlijn van de familie Lukken gaat naar Govert Maartensz Oostwoud (1671-1723) waarvan een afzonderlijk verhaal is toegevoegd over een merkwaardige schoolmeestersbenoeming door Koning-Stadhouder Willem III. Tevens is een overzicht toegevoegd met Levensbijzonderheden en Manuscripten van Govert Maartensz Oostwoud zoals nagelaten door zijn jongste zoon Jacob Oostwoud. Govert Maartensz Oostwoud is de betovergrootvader van de overgrootmoeder Gerritje Scholte van Alie Lukken. De enige zus van Alie heet Rijnouwje net zoals Reijnouwtje Goverts Oostwoud, dochter van Govert Maartensz Oostwoud. zie een merkwaardige schoolmeestersbenoeming

Annetje Veldhoen was afkomstig uit Harderwijk en kwam uit een echte Veluwse familie met vertakkingen naar de families Hup, van Doesburg, Hutten, Leusink, van de Schuur, Kloek, Greve, Hulleman en Hagedoorn die woonachtig waren in dorpen zoals Doornspijk, Ermelo, Oldebroek, Oosterwolde, Nunspeet en Elburg op de Veluwe.

Generatie 13

Hendrik Cornelis Beers is in 1943 te Oostzaan geboren. Hij vertrok in 1968 naar Curacao en trouwde daar in 1971 met Mary Elisabeth Martine van Delden, geboren op Curacao en dochter van Jan Gijsbertus Johannes van Delden en Marie Gerardine Palm. De lijn Van Delden gaat terug tot Jan Hendrik van Delden die in 1718 te Zwolle is geboren als zoon van Jacobus van Delden en Anna Elisabeth Mulders. Deze Jan Hendrik vertrok in 1747 van Zwolle naar Haarlem waar hij trouwde met Duyffje Somer. Daar is in 1755 zijn zoon Jacobus geboren. Zijn achterkleinzoon Hendrik vertrok naar Den Haag en trouwde daar met Johanna Roberta de Voogd. Zij kregen twaalf kinderen, waaronder Hendrik geboren in 1872 die de vader is van Jan van Delden, in 1917 als fuselier bij de koloniale Troepen naar Curacao vertrokken. Hij werd later politieagent op Sint Maarten. Hij trouwde op Saba en is op Curacao overleden.

De zijtak Palm is voor een groot deel uitgezocht en wordt afzonderlijk gepubliceerd met een uitgebreide toelichting bij de vele muzikale familieleden.

Bij de volkstelling in 1947 waren er 869 personen met de achternaam Beers. Het grootste aantal met 645 personen of 74% werd geteld in Noord-Holland. Dit aantal is veel in vergelijking met de naam Lukken waarvan er maar 96 personen waren, verspreid over de drie provincies Noord-Holland, Groningen en Noord-Brabant. De familienaam Baars kwam veel meer voor met een totaal van 3870 personen die voornamelijk werden geteld in Noord- en Zuidholland.

Generatie 14

Annemarie Elisa Wilhelmina Beers is geboren op Curaçao en vertrok in 1985 met ouders en zus naar Nederland. Zij trouwde daar in 1998 met Bastiaan Alexander (Bas) de Boer, zoon van Martien Gerard de Boer en Hendrica Marie Bertha (Riek) Borchers. De familie de Boer is afkomstig uit het dorp Blesdijke, gemeente Weststellingwerf in Friesland en wordt afzonderlijk gepubliceerd met een familie overzicht. Ze hebben twee kinderen: Charlotte en Thijs.

Marie Louise Yvonne Beers is eveneens geboren op Curaçao en in 1985 naar Nederland vertrokken. Zij is zelfstandig ondernemer met een eigen bedrijf Zalig Eten. Zij trouwde in 2009 te Amsterdam met Jasper du Pont, geboren in Woerden maar de familie du Pont is voornamelijk afkomstig uit het zuiden des lands. Ze hebben drie zonen Julian Hendrik, geboren in 2010, Lennart Jacob, geboren in 2013 en Berend Jan, geboren in 2014.

Generatie 15

Charlotte Marie de Boer is geboren op 17 februari 2003 in Utrecht. Daar valt al veel van te vertellen, maar zoals het tegenwoordig gaat heeft zij een eigen website. Dat telt ook voor haar broertje Thijs Jelle Dirk de Boer, ook geboren in Utrecht en wel op 5 september 2005.

is geboren op 14 oktober 2010 te Amsterdam. Zijn foto's zijn te bewonderen op de site Julian du Pont. Daar staan ook de foto's van zijn broertjes Lennart Jacob du Pont, geboren op 1 maart 2013 en Berend Jan du Pont, geboren op 7 november 2014.